J.A. dèr Mouw

Violenbed

Het hele perk was vol: je zag geen zand.
De paarsen leken ernstige oude heertjes,
De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,
De gelen pluimen van een goudfazant;

En massa's witten stonden om de rand,
Zo wit als vlinders of als duiveveerties,
Net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,
Die om iets heiligs heen staan, hand in hand. -

Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,
Zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten
In de verschrompelden nauw'lijks herken;

Maar even lang als toen sta ik te kijken:
Ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,
Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben.


Bundel: Brahman II
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster