J.A. dèr Mouw

Zomer (I)

'T aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid:
Zweetstralen, sijp'len stinkende rivieren,
Waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren;
Gebergten schurft steken er boven uit;

Mens-luizen, in hun nesten meest op buit
Rondkrauw'lend, zie 'k land'lijke blijdschap vieren.
Verpletterd soms, als 't trekken van wat spieren
De rotsen storten doet, schurftkluit na kluit.

De hemel lijkt een broeierige pet,
Aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering
Om 't mooie weer jolig scheef opgezet;

En smullend van de zweetdamp, loom en vet
En week en wit hangen in stille ontroering
De wolkenteken aan de blauwe voering.


Bundel: Nagelaten Gedichten
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster