J.A. dèr Mouw

Zomer (II)

Straks vieren we Zaterdagavond: Wind
Bezemt en ragebolt met macht van water
De luizen weg, en met rat'lend geklater
Hagelen de eier, droogramm'lend als grind.

Met drie, vier tanden, roestig-groen, begint
De geelkoperen kam haar werk, en slaat er
Op los in roos en schurftgebergte, en staat er
Een luis of teek, knappende dood hij vindt.

De luizen vluchten naar hun stedennesten:
Ze hebben men'ge Zaterdag doorstaan,
En laten zich door 't nat lawaai niet pesten.

De wind amechtig dweilt langzaampjes aan
Tot wriemelende hoop de tekenresten;
De luizen laat hij: dàt is niets gedaan.


Bundel: Nagelaten Gedichten
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster