Marnix van Sint Aldegonde

Psalm 61


Wil mij, Heer, gehoor verleenen,
In mijn weenen,
Merk op mijn gebed met vlijt:
Want ik na Dij in mijn smerten,
Bang van herten,
Van des eerdrijks einde krijt.

Wil mij op een rotse leiden,
Daar 't arbeiden
Mijner kracht niet toe en baat.
Want Du bist mijn hulp verkoren,
Ende toren,
Hoog en sterk, voor die mij haat.

Heer, ik zal in rust en vrede,
Mijn woonstede,
Houden in Dijn hut altoos.
Ende mijnen toevlucht nemen
Tot der schemen
Dijner vleugels, schadeloos.

Want Du hebst toch mijne reden
En gebeden,
O God, gunstig aangehoord,
En dergenen erf gegeven,
Die daar leven,
In Dijn vreeze, naar Dijn woord.

Dijnen koning zalstu sparen
Jaar op jaren,
En verlengen breed en wijd
Van geslachten tot geslachten,
-- Mits Dijn krachten --
Ja, ook eeuw'glijk, zijnen tijd.

Hij zal in zijn rijk beklijven,
En vast blijven
Voor den Heere, menig jaar;
Heer, bereid trouw en genade
Die van schade
En van ong'luk hem bewaar.

Ik zal met gezang bekwamen
Dijnen name
Zeggen lof en eeuw'gen dank,
Ende dagelijks zonder dralen
Dij betalen
Mijn geloften, vrij en frank.


Vertaling van Petrus Dathenius
Statenvertaling
Vertaling van Joost van den Vondel
Naar de psalmenpagina