Een liefde

Voor Louis Hartz

Arnold Aletrino


Na 't eten waren we voor 't hotel gaan zitten, in de schemerkoelte die begon op te duisteren uit de heenlevende dag.  

Wij waren de enigen in het hotel, een vreemd bijeen gevonden troepje van mensen toevallig hierheen gedwaald, eens schilder met zijn vrouw, een dokter die nieuwe frisheid zocht in het ongeweten dorpshotel van 't heenvergeten plekje, een schrijver met zijn vrouw en zijn schoonzuster, dadelijk vriendend met elkaar in het dagelijks, weerkerend samenzijn. En als elke avond begon 't gesprek over alles wat opnevelde in onze uitgemoeide hersens. En als elke avond ratelde het praten van de schilder over ons heen, wild-heldere woorden van paradox-lijkende gedachten, waarin het zachte antwoorden van een vrouwenstem bedaarde, of een plotseling uitklinkend lachen rolde.  

Alleen de dokter had nog niets gezegd en zat zwijgend te trekken aan zijn sigaar, die een klein, telkens voor-rossend lichtje schijnde in 't donker. Toen vroeg opeens een van de dames. 'Bent u niet wel, dokter, dat u zo stil bent, u zegt niets?'  

Hij schokte op uit zijn peinzen en zei langzaam: 'Neen mevrouw, ik ben heel wle, ik luister maar. Ik voel me vandaag een beetje moe, ik kan niet goed tegen zo'n warme, broeiende dag met een bedekte lucht, 't énerveert me en ik voel me altijd melancholiek als 't zo klam en rustig is buiten. En nu juist komt me door dat zeggen van onze schilder, dat alle gevoel egoïsme is, een verdrietigheid in mijn gedachte. Ik weet niet waarom ik juist vanavond eraan denk, 't loopt soms zo raar in je hersens. 't Is misschien omdat ik al de hele avond zo verdrietig en nerveus voel. Daarom zat ik daareven zo stil. Maar ik ben anders heel wel.'  

En antwoordend op het vragen wat die verdrietigheid was, zei hij: 'Och, 't is geen geheim, jelui mogen 't wel weten, maar je moet er niet om lachen wanneer ik 't verteld heb. 't Is eigenlijk een gekke historie, waarom ze me zo altijd is bijgebleven weet ik niet, ik geloof omdat 't de enige niet-egoïstische vrouwenliefde in mijn leven is geweest. Ik ben nog ongetrouwd, ik geloof niet dat ik ooit zal trouwen, ik begin zo langzamerhand oud te worden, en heus, wat ik rond me heb gezen van andere huwelijken, behalve de twee hiernaast me, heeft me niet verlangend gemaakt om te trouwen. Zie je, ik heb dikwijls een vrouw kunnen vinden, ik heb dikwijls genoeg een vrouw ontmoet die me lief zou hebben, maar altijd vergelijk ik die liefde met die ene die ik heb gezien toen ik nog jong assistent was in het gasthuis, en toen een van mijn patiënten verliefd op me was.  

Ik had haar 't eerst gezien op de polikliniek, 's morgens om acht uur. Een beroerde winterochtend met mist en somber licht, een vervelend gevoel van vroeg uit je bed te moeten; 't waren de ellendigste uren uit mijn assistentschap, die ochtend-poliklinieken. Later als de boel eens aan de gang was, dan ging 't wel weer, maar dat beginnen, dat inkomen in de sombere wachtkamer die al propvol was van misère, 't gaan zitten in de dokterskamer, een ellendig hok met grijs-smerig bovenlicht, waar altijd 't gaslicht nog moest branden tot 't helemaal dag was en dan dat wezenloze eerste inschrijven van de nieuwe patiënten. Wanneer dat eens was afgelopen en je begon met ze een voor een te onderzoeken, dan liep 't vanzelf en dan voelde ik ook langzamerhand mijn verveling heendrijven; tegen 't midden van de kliniek was ik weer de oude en voelde me als andere dagen.  

Ik zat er altijd met de andere assistent, en we namen om de beurt een nieuwe patiënt, nu eens twee mannen die tegelijk binnenkwamen, dan eens twee vrouwen. Soms nam een de mannen voor zijn rekening, de ander de vrouwen; die andere was ik meestal, ik vond 't altijd veel prettiger om vrouwen te behandelen. Hij vond mannen plezieriger, dus 't ging heel goed.  

Die ochtend had ik weer de vrouwen en er kwam een klein, kromgegroeid juffertje voor mijn tafel, een juffie van een jaar of zeven-, achtentwintig, een vreselijk navrant vervormd lichaampje met de gewone ellendig-onderworpen ogen van dat soort schepsels, die hun hele leven zijn bespot en uitgelachen. Ik herinner me niet meer waarover ze klaagde, wel weet ik dat ik haar zei om achter het scherm te gaan en zich uit te kleden en me te roepen wanneer ze klaar was. En ik vergat haar helemaal in het komen en gaan van anderen.  

Toen alles was afgelopen, vond ik haar stil zitten op een stoel met haar kleren halfuit, angstig in elkaar gekromd met een gloeirood gezicht. Zij had me niet durven roepen, zei ze. Ik onderzocht haar, ze was vreselijk zenuwachtig en beefde aan al haar leden. Toen ik gedaan had, ging ik naar de tafel terug om haar een recept te schrijven en zij kleedde zich weer aan. Zij had een hartkwaal, een hartkwaal die we als jong assistent een mooi geval noemen en waarom je jaloers op mekaars patiënten bent. Ik zei dat ze over een dag of vertien maar eens weer moest terugkomen en ik weet niet waarom, maar voor ze wegging gaf ik haar een hand en liep een eindje met haar mee de gang door.  

Ik had helemaal niet meer aan haar gedacht, toen ze veertien dagen later weer opeens voor me stond. Zij zag er heel anders uit, 't trof me dadelijk, ze had iets fleurigs in aar uiterlijk, iets van een paar kleuren op haar hoedje en haar manteltje was ook veel netter. Zij had nog altijd dezelfde klachten en ik gaf haar weer een recept en bestelde haar over acht dagen terug.  

Toen ze weer kwam was ze nog fleuriger als de vorige keer, iets vrolijks, een soort navrante koketterie in haar bewegingen en iets liefs lachends in haar arm, blauwig gezicht. De pijn in haar borst was weer erger geworden, 't was zó erg, klaagde ze, dat ze bijna geen adem kon halen. En toen zei ik haar om weer achter het schot te gaan en zich uit te kleden. Nu riep ze me dadelijk en ik vond haar helemaal uitgekleed, wel nog even zenuwachtig als de vorige keer, maar toch iets vrijmoediger. 't Was niet zo goed met haar als de vorige maal, ik onderzocht en onderzocht nog eens en nog eens, 't was zo moelijk, want ze was zo verschrikkelijk nerveus en hijgde zo erg, dat ik bijna niets kon horen. En opeens, terwijl ik me voor haar buig om haar hart nog eens te luisteren, voel ik dat ze mij een zoen geeft in mijn hals. Ik schrok wel even, maar ik deed of ik niets had gemerkt; wanneer ik 't gemerkt had, had ik mijn waardigheid moeten ophouden en haar streng de deur moeten wijzen; je staat als dokter veel te hoog, zeggen ze, om dergelijke familiariteiten te verdragen.  

Toen ik opkeek was ze lijkbleek geworden, een weke schudding van haar hart schokte om haar heen en weer van zenuwachtigheid. Ik zei niets en ging naar de tafel; ik dacht erover om haar te zeggen dat ze thuis moest blijven en haar eigen dokter laten komen. Maar toen ze voor me kwam, klein, nog meer in elkaar als anders, met een beroerd, pijnlijk, angstig staren uit haar moewe ogen, toen had ik er de moed niet toe, en ik bestelde haar terug over een paar dagen, dan kon ze opgenomen worden. Ik had een stille hoop dat ze naar een andere afdeling zou gaan, ik hield haar bewijskaart in om te beletten dat ík haar zou krijgen. En toch, er was zó iets beroerds in haar weggaan, iets zó verdrietigs in haar zeggen: dag dokter, dank u wel, iets zo ellendigs in har laatste kijken toen ze bij de deur was, dat ik zonder 't te willen mijn hand weer uitstak. 't Was een zeldzame handdruk die ik van haar kreeg; ik heb 't de gehele dag nagevoeld en zag haar telkens weer voor me zoals ze klein, nederig en weinig bij de deur stond. Misschien was er ook een beetje ijdelheid bij; hoe weinig een vrouw ook is en hoe lelijk, een man is mal genoeg om trots te zijn wanneer hij ziet dat hij indruk heeft gemaakt. De volgende dag dacht ik er niet meer om.  

Een paar avonden later kom ik op mijn zaal de avondvisite maken toen de hoofdverpleegster naar me toe komt en me zegt dat we een nieuwe patiënte hebben opgenomen, een van de polikliniek. Ik kin helemaal niet denken dat zij 't was, ik dacht niet meer aan 't mensje, en jawel, daar vind ik haar te bed, zacht hijgens en met grote ogen kijkend naar mijn dichtbij komen. Zij stak even schuw haar hand onder 't dek vandaan, ze was schor van zenuwachtigheid en ik vond 't maar beter haar rustig te laten liggen tot de volgende dag tot ze wat op haar gemak was gekomen.  

Toen ik haar onderzocht was ze veel erger geworden; waar die snelle ruïne vandaan kwam kon ik niet begijpen, 't was of ze in die paar dagen vanbinnen was uitgevreten door een onzichtbaar beest dat ik hoorde snorren in het jachtend trillen van haar hartslag. Zij had koorts en was jammerlijk verzwakt.  

Toen begon een reeks dagen van wanhopige melancholie, een rij dagen waarin ze altijd maar stillag, zonder beweging, dof, zonder spreken. Alleen wanneer ik de visite maakte leefde ze een beetje op, en keek me aan met grote, droog-huilende ogen. En dan zakte ze weer in mekaar tot ik 's avonds terugkwam. Soms ging ik bij de nachtvisite nog even naar haar bed. Dan lag ze nog als 's morgens, klein, verdwijnend in het grote bed, zacht te sluimeren. Wanneer ik bij haar stond werd ze altijd wakker en dan, in het schemerdonker, durfde ze haar hand boven het dek te steken en hield ze mijn had vast; ik durfde ze nooit terugtrekken.  

Langzamerhand werd ze beter. Ze kon nu opzitten in haar bed, haar arm, mager lijf gesteund tegen een paar kussens, en kon met me praten wanneer ik de visite maakte. In 't begin was 't heel goed tussen ons beiden, maar langzamerhand begon ze iets stugs te krijgen, iets terughoudends en eindelijk zei ze niet meer tegen me dan nodig was; wanneer ik wel eens probeerde een aardigheidje tegen haar te zeggen draaide ze haar hoofd om en wilde me niet meer aanzien. Bij de nachtvisite vond ik haar altijd wakker liggen kijken; maar wanneer ik naar haar bed ging,k dan kroop ze onder de dekens en wilde ze me niet zien. Ze werd hoe langer hoe onvriendelijker tegen me. Ik begreep er niets van, want ik was nog net zo tegen haar als de eerste dag.  

Toen, op een avond, vertelde de hoofdverpleegster me onder 't napraten op de gang de oorzaak; ze was verliefd op me, de patiënten hadden 't gmerkt en hoelden haar ermee voor de mal, de verpleegsters wisten 't en lachten met elkaar erom, en wat 't navrantst was, ze was vreselijk jaloers omdat ik met andere patiënten even vriendelijk was en net zo lang en langer soms met andere patiënten bleef praten als met haar. Dan was er de hele dag geen woord uit haar te krijgen, vertelde de hoofdverpleegster, en was ze onhandelbaar. Dan kon ze hele middagen liggen huilen of ze was woedend, doodstil met een paar diepe, scherpe ogen.  

't Was een raar geval en ik wist niet wat ik ermee moest doen; haar wegsturen kon ik niet en wilde ik ook niet, 't zou te wreed zijn geweest. 't Ergste was dat ongemerkt iedereen 't begon te weten, de verpleegsters hadden 't misschien verteld, misschien de andere patiënten, en ik werd erom belachen aan tafel en wanneer ik een verpleegster ontmoette in de tuin was 't me of ik een spottend lachje om haar mond zag.  

Toen heb ik er lang over lopen denken wat 't beste was om te doen: ze zou nooit beter worden, dat wist ik zeker; ze zou nooit weer 't gasthuis uitgaan, tenminste levend, dat wist ik ook, ze had nog maar een paar maanden te leven. En toen ben ik erg goedig tegen haar geweest, ik bleef heel lang met haar praten 's morgens en wanneer ze boos op me was omdat ik geen tijd had om lang bij haar te blijven, dan ging ik 's avonds naast haar bed zitten en maakte allerlei gekheid met haar. Dan schoof ze voorzichtig haar had in de mijne en streelde zachtjes heen en weer onder 't praten. Soms bracht ik haar bloemen mee, 't kon me niet meer schelen of ze me uitlachten; 't was te navrant, die stervende liefde.  

Op een nacht stond ik weer naast haar bed. Ze had op me gewacht, 't was al laat toen ik op de zaal kwam, en terwijl ik me over haar heen boog om haar zachtjes goedenacht te zeggen, keek ze eerst schuw heen en weer naar de patiënten die naast haar sliepen en opeens pakte ze mijn hoofd vast en zoende ze me een lange, innige zoen op mijn mond, een volheid van diepe liefde, zoals geloof ik nooit een vrouw me in mijn leven zal zoenen. En toen barstte ze opeens uit in een zenuwachtig snikken. Wist ze dat ze zou doodgaan; voelde ze 't wanhopige nooit te zijn liefgehad, of was 't dankbaarheid dat ik de enige en eerste man was die iet om haar had gelachen en goed voor haar was geweest? Ik weet 't niet, ik heb er nooit naar gevraagd.  

Korte tijd daarna is ze gestorven, een nacht dat ik niet in 't gasthuis was, plotseling, in een snel opknijpende benauwdheid. Toen ik de volgende avond terugkwam, was ze al van de zaal weggedragen naar de kelder. De hoofdverpleegster zei me dat ze een haarvlecht voor me had afgeknipt, dat had ze haar, allang tevoren, moeten beloven. Ik heb die vlecht nog en bewaar die bij alle andere beroerdheden uit mijn leven.  

En ik ben de volgende dag naar de anatomie gegaan en heb haar zien liggen op de tafel, onder 't hoge witte licht van de stille zaal en ik heb alleen staan staren op dat arme misvormde lichaam, en heb zachtjes gestreeld over haar bleke wangen, ik, haar enige liefde. En ik heb voorzichtig 't doodslaken over haar heen gespreid, voorzichtig en langzaam; niemand had 't beter kunnen doen, ze had me heel liefgehad. En toen ik weer in mijn kamer was en ik haar vlecht uit 't papier rolde toen voelde ik langzaam het huilen hoger kroppen dat in mijn keel stikte over de grote, wijde misère van het leven, de enorme ellende van het bestaan waarin zo'n schepseltje geboren wordt en leeft zonder vreugde, zonder licht in de donkere geheiming van haar noodzakelijk meezijn.'  

De dokter zweeg. Buiten in de luw-koele zomernacht ruiste het water voort, altijd voort, een weemoedige weving van weekfluisterend geluid door de hoge rust. En lange tijd bleven we stil.  

Toen fluisterde een van de dames voor zich heen, schor sprekend van ingeknepen huilen: 'Ze is tenminste een korte tijd heel gelukkig geweest. Dat is al veel in het leven.'