Het kinderlijk geluk

Ik ben een kind,
Van God bemind,
En tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
Een wieg om in te slapen!

Ik leef gerust;
Ik leer met lust;
Ik weet nog van geen zorgen.
Van 't spelen moê,
Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,
En slaap tot in den morgen.

Geloofd zij God
Voor 't ruim genot
Van zoo veel gunstbewijzen!
Mijn hart en mond,
Zal hem, in elken morgenstond,
En elken avond prijzen.

Hiëronymus van Alphen
(1746 - 1803)

[ Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen , 1779 ]