Het gebroken glas

Eene vertelling

Cornelis had een glas gebroken
Voor aan de straat;
Schoon hij de stukken had verstoken,
Hij wist geen raad
Hij had een afschrik van te liegen,
Wijl God het ziet;
En zou hij Mama nu bedriegen,
Dat kon hij niet.
Hij stond onthutseld en bewogen;
De moeder komt;
Zij ziet de tranen in zijn oogen;
Hij scheen verstomd,
Heeft Keesje, zeize, wat bedreven?
Wat scheelt er aan?
'k Heb, zei hij, moeder-lief! zo even
Weer kwaad gedaan.
Terwijl ik bezig met paletten
Bij 't venster was,
Vloog mijn volan, door 't forsch raketten,
Daar in het glas.
Maar als uw Keesje 't van zijn leven
Niet weder doet,
Dan wilt gij 't immers hem vergeven,
Gij zijt zo goed!
Kom Keesje lief! hou op met krijten,
Zei moeder toen:
'k Wil u dien misslag niet verwijten,
Hij kreeg een zoen.
'Die altoos wil de waarheid spreken,
Wordt wel beloond,
Die leugens zoekt voor zijn gebreken,,
Wordt niet verschoond.'

Hiëronymus van Alphen
(1746 - 1803)

[ Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen , 1779 ]