Het lijk

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Mijn lieve kleine kinders, schrikt tog niet,
Wanneer gij dode menschen ziet;
  Zoudt gij voor de lijken beven?
Kom hier: deze bleke koude man,
Die voelen, zien, noch hooren kan,
  Houdt nu niet op te leven.

Hij denkt en werkt - ja meer dan gij;
Maar met geen ligchaam zoo als wij.
  De ziel is weg van de aarde.
Die God, dien hij hier heeft gevreesd,
Is bij hem in zijn dood geweest;
  En houdt dit lijk in waarde.

Al is de ziel van 't ligchaam af,
Al daalt het lijk in 't donker graf,
  Dat moet u niet doen ijzen.
Geloofd het tog, de goede God
Zal zelfs dit lelijk overschot
  Veel schooner doen verrijzen.

Ach, lieve kinders! zegt dan niet;
Wat is dat sterven een verdriet!
  Mogt ik maar altoos leven!
Wanneer ge God bemint en dient,
Dan voert de dood u, als een vriend,
  In 't eeuwig zalig leven.

En komt dan eens de jongste dag,
Dan zal het ligchaam, dat daar lag,
  Zig leven weêr vertoonen.
Dan voeren de Englen van beneên,
U zingend naar den hemel heên,
  Om eeuwig daar te woonen.

Mijn lieve kinders, schrikt dan niet,
Wanneer gij doode menschen ziet;
  Zoudt gij voor lijken beven?
Zegt liever vrolijk - deze man,
Die hier niet zien of hooren kan,
  Mag in den hemel leven.


[Hieronymus van Alphen Home-pagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.