De kleine zangster

avondlied

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Het licht der zon
Begon
alreê te kwijnen:
De maan
Ving aan
Zo schoon als ooit te schijnen;
Toen lieve Cris,
Een meid, naar 'k gis,
Van agt of negen jaren,
Haar kleine citer nam,
En hupplend bij mij kwam;
Zij paarde lagchend stem en snaren;
En zong het vrolijk avondlied,
Dat gij hier uitgeschreven ziet.

De zon moog haar stralen
In 't westen doen dalen,
  Dit geeft mij geen smart:
God heeft ook geschapen
De nagt om te slapen,
  Dies looft Hem mijn hart.

Hoe donker 't mag wezen,
'k Behoef niet te vreezen
  In 't holst van den nagt.
God zal voor mij zorgen,
tot dat mij de morgen
  Weêr vrolijk verwagt.

Geen leed zal mij naken;
God wil mij bewaken,
  Al ben ik een kind.
God toont, door mij 't leven
En voedsel te geven,
  Hoe Hij mij bemindt.

Het starrengeflonker
Vervrolijkt het donker;
  De lichtende maan
Begint op de weiden
Haar glansen te spreiden,
  En speelt door de blaên.

Al ziet men geen kleuren,
Men wordt tog door geuren
  Verkwikt waar men gaat.
'k Hoor zelfs in seringen
Den nagtegaal zingen,
  En 't kwarteltje slaat.

Mag ik u verhoogen,
Dan sluit ik mijne oogen
  Gerust, o mijn God!
U eere te geven,
En dankbaar te leven,
  Is 't zaligste lot.



[Hieronymus van Alphen Home-pagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.