AY MIJ, LIEVE JACOB!

Ne geen solaas voor vrouwen minne,
zij zijn van harten reine.
Er lag een wijf van frissen zinne
bij haren boel alleine,
in anders arm vast gemeine.
Zij helsden hem vast omtrent de krop:
‘Ay mij, lieve Jacob! Ay mij, lieve Jacob!'

Der minne spel zij beiden plagen,
met grote melodieën
en als zij meest in vreugden lagen,
viel zij in frenezieën.
Ik waan, zij liet haar elders vrieën,
van vreugde riep zij dan: ‘Walop!
Ay mij, lieve Jacob! Ay mij, lieve Jacob!'

Haar boel was gram om deze woorden,
hij sprak: ‘Zijt gij bezeten!
Wie was ‘t dat ik u noemen hoorde?
Hebt gij mijn naam vergeten?
Welaan, ik wll de waarheid weten!
Mij dunkt, gij houdt met mij uw schop:
Ay mij, lieve Jacob!'

Zij peinsde, als haar wel bedochte:
‘Wat duvel heb ik gezeid?'
Vele onschulden dat zij zochte,
zij zeide, het was haar leid.
Hij zwoer bij zijne zekerheid:
‘Gij zult ontvangen menigen klop.
Ay mij, lieve Jacob!'

Dus was dat vrouwken daar bedrogen
bij haren zonen wane.
Elk peinze om wat zij heeft voor ogen,
als men rolt in haren bane.
Men betert geen wijf met slane,
nochtans zo maken zij menigen Job:
‘Ay mij, lieve Jacob! Ay mij, lieve Jacob!'

Handschrift-Gruuthuse, eind veertiende eeuw

Het handschrift van Gruuthuse ofwel Rhetorijcke ende Ghebedenboek van Mher Loys van den Gruthuse bevat 150 minneliederen, waarvan het grootste gedeelte verwantschap vertoont met de Duitse minnepoëzie; hoofse liefde die gekenmerkt wordt door dienst en toewijding.

Ingezonden door IJme Woensdregt