TUTEBIER EN DE DAME

Het zou een schamel meersenier
koopmanschap leren.
Hij heette Hannin Tutebier,
hij kon zich wel generen.
Daar hij Zijne kanis droeg,
een jonkvrouw riep hem en zij loech:
‘Komt hiernaar, goede meerseman!'
Naalden, spellen, trompen, bellen,
ik wil mijn meerse hier nederstellen,
laat zien of ik verkopen kan.

Als hij die schone vrouwe aanzag,
hij sprak: ‘Ik wil mijn meerse ontslaan,
ik heb getsantert al den dag,
ik heb een mijte niet ontvaen.'
Zijne kanis hij ontsloeg:
‘Jonkvrouwe, nu zoekt al uw gevoeg,
want ik u wel der baten jan.
Naalden, spellen, trompen, bellen,
ik wil mijn meerse hier nederstellen,
laat zien of ik verkopen kan.'

‘Me erseman,' zei ze, 'lieve gezelle,
ik heb een kleine kokerkijn,
ik en vind hierin naalden noch spellen,
die wel voegen zouden daarin.
Hier zijn grote en daartoe kleine,
maar ik en vind niet wat ik meine.'
‘Jonkvrouwe, wat spellen wilt gij dan?
Naalden, spellen, trompen, bellen,
ik wil mijn meerse hier nederstellen,
laat zien of ik verkopen kan.'

‘Jonkvrouwe, ik heb een spellekijn
dat en is niet aldus kleine.'
‘Knape, wel moet gij komen zijn,
gij en weet wel wat ik meine.
Wilt gij de spellen verkopen niet,
zo leent ze mij of gij ‘t gebiedt,
ik zal u lonen, bij Sinte Jan.'
Naalden, spellen, trompen, bellen,
ik wil mijn meerse hier nederstellen,
laat zien of ik verkopen kan.

Hij nam de jonkvrouw bij haar hand,
zij gingen onder hen beiden.
De spelle dat ze te pointe vand,
zij en wilde er niet van scheiden.
‘Knape, houd mij dit spellekijn,
geeft u het zal u wel vergolden zijn,
want beter spellen ik nooit gewan.'
Naalden, spellen, trompen, bellen,
ik wil mijn meerse hier nederstellen,
laat zien of ik verkopen kan.

Handschrift-Gruuthuse, eind veertiende eeuw

Het handschrift van Gruuthuse ofwel Rhetorijcke ende Ghebedenboek van Mher Loys van den Gruthuse bevat 150 minneliederen, waarvan het grootste gedeelte verwantschap vertoont met de Duitse minnepoëzie; hoofse liefde die gekenmerkt wordt door dienst en toewijding.

Ingezonden door IJme Woensdregt