DIE BORCHGRAVINNE VAN VERGI: introductie
 
De korte ridderroman Die borchgravinne van Vergi geeft ons het tragische verhaal van liefde die met de dood bekocht wordt. De auteur van onderstaand werk is onbekend, wel weten we dat het stuk oorspronkelijk in het Frans is gemaakt en op 24 mei 1315 werd de 'Nederlandse' vertaling door een brabander voltooid. 
De opmerkelijke moraal van het verhaal: spreekt niet over u geheime liefde zodat een dramatische afloop als hier verhaald u bespaart blijve. 
In het eerste kwart van de vorige eeuw is het vers omgewerkt tot een prozaroman; een zogenaamd volksboek. 
 

DIE BORCHGRAVINNE VAN VERGI
Gerechte minnare, waar gij zijt, 
zijt op uw hoede in alder tijd 
ende heelt dat u te helen steet·;  verberg wat u verbergen moet
maakt van uwe lieve niet u leed, 
het zoude u namaals deren zere 
ende het ware groot onere·, 
schande
Houd u woord bij u allene 
ende zijt in herte rene· 
en wees in uw hart oprecht
ende en laat u herte niet verstaan·, 
laat niet in uw hart kijken
ende het ware zere mesdaan. 
Ochte· gij gezwijgen niet en kondt 
als
ende gehouden uwe mond, 
hoe zal ’t een en ander dan gehelen·, 
verzwijgen
hoe nauwe gij ’t hem wilt bevelen? 
Maar hoedt altijd u waarde· 
woorden
jegen gebaarde en ongebaarde·. 
mannen en vrouwen
Want men vindt vele lieden 
die hem· altoos gereed bieden 
die altijd voor hem klaar staan
te dienste hem· allen, die ze kinnen, 
omdat ze van hem willen winnen 
haar heimelijkheid ende weten al. 
Ende zeggen, dat ’t nemmermeer en zal 
mens even haren monde weten. 
Des zij hebben zaan· vergeten, 
spoedig
want zij haastelijk ute bringen. 
Hoedt u altoos van dien dingen, 
die heimelijke minne draagt 
in u herte, die u wel behaagt; 
heelt ze vrienden ende vijanden, 
zo ne wordi niet te schanden. 
Want als ’t iement vremders· weet, 
een vreemde kent
zo es hij ermet· zo gemeet·, 
ermee  zo blij
dat hij ‘t vertelt te VII staden·, 
plaatsen
Dus blijvet· die minne verraden 
wordt
ende moet men rouwen scheeden 
ende maakt gevrienden in veeden·, 
ruzie
daar dik ave komt· mesval,
ontstaat
als ik u vertellen zal
dat in Borgoenjen geschiedde.
Daar toe zagen ’t vele lieden
van der borchgravinnen van Vergi
die zere minde enen ridder vrij, 
die alte vrome was ende koene 
ende hoves in al zijn doene 
t’ allen spele in zijnen tijden 
ende overdadig· in dat strijden. 
moedig, vermetel
Zo dat die hertoge daarbij· 
daardoor
zere verkoos· den ridder vrij, 
hoogachtte
ende nam dezen here met heme·. 
Zo datten· minde, als ik verneme, 
de borchgravinne alte zere, 
die ik noemde heden ere·, 
daarstraks
van Vergi was haar name. 
Die vrouw was schone ende bekwame 
ende geloofde· in allen zinne· 
beloofde geheel en al
den ridder vriendelijk hare minne 
van al dien dat zij vermochte· 
kon
verplegen·, ende hij aan haar zochte. 
lenen, toestaan
Maar zo heimelijk zij minden, 
dat zij geen mense en kinden· 
dien zij ’t verstaan lieten, 
want zij ontzagen dat mesnieten·. 
vreesden voor de kwade gevolgen
Ende hadden verkoren om dat· 
ene schone, heimelijke stad· 
in enen boogaard·, daar hij plach 
boomgaard
dik te gane in den dag, 
als of hij hem vermeien ginge. 
Niemen en wiste van dien dingen 
dan zij onder hem tween beiden, 
zo zere hoedden zij hem· van schalkheiden·. 
zij beschermde hem voor verraders en bedrog
De boogaard, die ik vermane· 
noemde
daar die ridder in plach te gane 
stond ane· die kamer der borchgravinne. 
Ende als die ridder kwam daarbinnen, 
zo zag zijne· wel altoos, 
want zijne minde zonder loos· 
arglist
ende hij hate alzo weder; 
ik wane gij nooit no seder· 
nooit eerder of later
en zaagt zulk gelieven twee. 
God die moete hem geven wee, 
die zulke minne scheiden doet. 
Die vrouwe den ridder goed 
zere met goeder herten minde 
boven allen man, die zij kinde. 
Wanneer zij vore haar venstre lag, 
was ’t avond of in den dag, 
ende zij dan in den bogaard 
des ridders geware waart, 
ende zij was in haar kamere allene, 
ontdede· zij een doorken· klene, 
klein
daar zij allene gink vore staan 
ende dede een hondeken ute gaan, 
dat heimelijk ende klene was, 
spelen in dat schone gras. 
Dat hondeken den ridder minde, 
want herde wel hetten kinde·. 
want het kende hem heel goed
Ende als de ridder zag het hondekijn, 
zag hij wel dat die vrouwe zijn 
aflenein die kamere ware; 
dan zo ging hij vort te hare 
ende in die kamere zo bleef hij 
al den nacht der vrouwen bij 
ende leefden met groten spele, 
des zij hadden harde vele. 
Dus duurde haarre tweer minnen, 
dat ze niemen en konde gekinnen, 
ene lange wijle tusschen hem tween. 
Ende die ridder was allen een·: 
voor allen dezelfde
Jolijs·, behagel· ende vrome· mede, 
vrolijk  beminnelijk  dapper
zo waar men ridderschap dede·, 
ridderspelen hield
overal had hij den lof, 
zo dat hij in ’s hertogen hof 
zere geëerd werd, weet voorwaar, 
van den meisenieden· daar. 
hofhouding
Ja, zonderlinge· die hertoginne 
in het bijzonder
die leide aan hem hare minne, 
dat ze hem toonde harde dikke·. 
zeer dikwijls
Maar zijn zin, dat waan ikke, 
lag zo vaste te eenre andre stede, 
dat ’t hem en roechte· wat zij dede. 
 ’t hem niet kon schelen
Hij ne achte twint·, dat verstaat, 
hij lette er gans niet op
dat zij hem toonde goed gelaat. 
Zijne wetende· borchgravinne 
hadde algader zijne minne, 
ende hij de hare alzo weder 
boven hoge ende boven neder·. 
boven hoog- en laaggeplaatsten
Die hertoginne hadde gerne genomen, 
had zij ’r toe mogen komen, 
des ridders minne, op dat· hij 
omdat
niegerinks bestaat en zij·. 
(nog) niet verloofd was
Nu geviel op enen dag, 
dat die hertoginne zag 
den ridder in die zale gaan. 
Tot hem es ze allene gegaan 
ende zeide: ‘Her ridder, goed ende ere 
moet u geven God ons Here, 
want gij zijt goed ende schone 
ende moogt met eren dragen krone. 
Van uwer groter vromigheid· 
heeft men herde verre gezeid·. 
Dies betaamt u wel dat, 
dat gij mint te zelker stad·, 
dat u uw liefde zo hoog plaatst
daar ’t u eerlijk ende goed ware’. 
Die ridder antworde hare: 
‘Te waren, vrouwe, ik en hebbe niet 
mij gezet daartoe iet, 
iemen te gevene mijne minne’. 
‘Te waren’, zeide die hertoginne, 
‘deze beide· es te lank; 
dit wachten
laat gaan u herte, gevet haar gank, 
des biddik u op alle bede, 
ende legt ze ter hoger stede, 
daar u al doget ende al ere 
af kome, des biddik u zere’. 
‘Te waren·, vrouwe, ik en weet waar bij· 
in waarheid, vrouw, ik weet waartoe
gij deze redene zegt tot mij. 
Ik en ben grave noch konink; 
ik en weet wanen mij deze dink 
komen mochte in enigen wege, 
dat ik een vriendinne gekrege, 
zo edel ofte zo welgedane, 
als gij mij gevat te verstane’. 
Die vrouwe zeide: ‘Laat deze tale; 
bier toe zeldij komen wale. 
Ende of ik u gave mijne zinne, 
beide met herte ende met minne, 
want gij ’s mij wel dunket weerd. 
Zegget mij wes· gij begeert, 
wat
want ik ander u herde wel·.’ 
ik verleen u alle gunsten
‘Mij dunkt, dat gij maakt spel’, 
zeide de ridder; ‘vrouwe, weet dat, 
dat ik hier ende te elker stad 
wil u vriend zijn ende dienen mede, 
ende altoos op hoveshede, 
ende altemale te uwer eren; 
maar jegen die ere mijns heren, 
die mij ere doet zo vele, 
wil ik in ernste no in spele 
nemmermeer verradere zijn. 
Dat weet wel, lieve vrouwe mijn, 
ende ik zal blijven in dezer manieren’. 
Doen antworde die vrouwe schiere·, 
ontstekende van groter erheid·, 
woede
omdat hij hare aldus ontzeit·; 
weigert
zij zeide: ‘Her kwaad, wie bidde u dies?·’ 
Boosaardige, wie vraagt u dat
‘Niemen vrouwe, ik ben ries·, 
dwaas
dat ik die dink kwalijk versta. 
Maar al zou ’t mij deren na·, 
later
ik en dade nie, lieve vrouwe, 
mijnen here geen ongetrouwe·. 
Hier met es ze verbolgelijke 
gegaan in haar kamere rijke. 
Die hertoginne, wel gedaan, 
hevet haar ziek gemaakt· zaan· 
hield zich ziek
ende bleef liggende alzo 
des te nacht kwam toe. 
Savons ging slapen die vrouwe, 
al hadde zij in ’t herte rouwe, 
neven den hertoge, haren man. 
Te wenen zij doen began. 
De hertoge ter vrouwen zeide: 
‘Wat bediedt dese droefheide, 
die gij maakt al dus groot? 
Mij dunkt, des en es geen noot!’· 
daarvoor is geen reden
De vrouw zeide: ‘Ik zeg ’t u here, 
mij deert utermaten zere, 
dat geen goed here en kan 
gekinnen enen valschen man, 
ende enen verradere voor enen goeden·. 
Dat hij ’r hem voor mochte hoeden! 
Ende hem moeten ter oren gaan·’. 
De hertog zeide: ‘Ik en kan verstaan· 
niet wale wat dit bediedt; 
ik wane mij des niet es geschied, 
want verraders, sem· mijn ere, 
bij
hate ik ende schuw ik zere. 
Noch en versta ik niet wale, 
werwaart dat wendt u tale. 
De vrouwe zeide: ‘Ik zeg ’t u dan. 
Gij houdt hier met u enen man, 
(ende den ridder die nome zij) 
die anleide· noch heden mij 
lastig vallen
van minnen, dat mij zere deert; 
want het hadde mij onweerd 
het heeft mij verontwaardigd
van zijnre tale, ende noch doet·. 
Doen peinsde ik in mijnen moed, 
dat ik ’t u, here, zeggen zoude, 
dat gijne· van u liet gaan. 
gij hem
Gij hebt hem ere te vele gedaan. 
Vandijs nog bat zijn stade·, 
als hij een betere gelegenheid vond
hij mocht u meer doen te kwade’. 
Die hertog zeide: ‘Vrouwe, laat blijven, 
zwijg erover
Ik zalne al te male verdrijven.’ 
Die hertoge, die deze klage· 
hadde gehoord, lag· tot den dage. 
lag wakker
Geslapen dat hij niet en kan, 
want hij minde den jongen man, 
ende zijn wijve geloofde hij mede, 
als noch es der zotten zede. 
Ende doen hij was opgestaan, 
ontbood hij den ridder zaan·. 
onmiddelijk
Allene nam hijne bezijden 
ende sprak hem aan in korter tijden 
tusschen hem tween heimelijke: 
‘Te waren’, zeide die here rijke, 
‘het es schade, dat gij zo vrome zijt 
ende zo schone ende zo jolijt, 
ende gij mede zijt verrader, 
trouweloos ende ook kwader 
Want gij hebt vele ontrouwen 
getoond aan mij ende an mijn vrouwe, 
dat gij haar gister aanleit van minnen. 
Gijne wout ook niet bekinnen 
d’ere, die ik u hebbe gedaan, 
doen gij na mijn onnere wout staan. 
Dies verbied ik u mijn land 
als mijnen gerechten vijand, 
ende dat gij nemmermeer 
in mijnen lande doet gekeer, 
ik dade u hangen als enen dief; 
wien dat ’t leed zij ofte lief’. 
Doen de ridder hoorde de waard· 
woorden
werd hij herde zere bezwaard, 
ende beefde met allen leden 
van rouwen ende van zerigheden. 
Hem gedachte zijnre vriendinnen, 
die hij nemmermeer en waande gewinnen, 
daar hij nu af scheden moet. 
Ende vort· hem zo wee doet, 
bovendien
ende zere meerdert zijnen rouwe, 
datten· zijn here ongetrouwe 
met onrechte heet enen verrader, 
daar hij zo wel met was te gader·. 
bij wie hij zo zeer in de gunst stond
Ende zeide: ‘Here, weet dat wale, 
dat u die waarheid al te male 
nu niet en es gezegget’. 
Die hertoge zeide: ‘Wat dregget?· 
wat betekent dat?
Die ontschoud en diet u twint:
deze ontkenning helpt u niets
Mijn wijf en es niet zo kind· 
onnozel
dat ze zoude die waarheid sparen 
anders dan die redene waren. 
Ik ben wel zeker, des beziet·, 
houdt daar rekening mee
dat de dink al dus geschied; 
want mij mijn wijf niet en zeide 
anders dan die waarheide. 
Hoe mocht gij zijn zo fraai van zinne· 
opgewekt van humeur
gij ne droegt in ’t hert minne·, 
als u geen liefde kende
ik en vernam nooit,verre no bij 
dat gij ieweren minnet ie 
ende men hoort ’t zeggen nie. 
Maar wildi mij nu ter stad 
zweren ende geloven dat, 
hij trouwen ende hij eeden, 
dat gij mij zult die waarhede 
zeggen, die ik u vragen zal, 
ende die waarheid lien· al, 
bekennen
ik zals mij wel houden aan u· 
vertrouwen in u stellen
ende zals di wel verdragen· nu 
kwijtschelden
der wankonst· ende der talen, 
beschuldiging
die ik hier gelove wale, 
die mijn wijfvoor waarheid zeide.’ 
Die ridder die grote droefheide 
hadde, ende begeerde zere 
die vriendschap van zijnen here, 
want hij node verloos zijn land, 
daar hij in zo dieren pand 
laten zoude, zijn vriendinne, 
Van Vergi die borchtgravinne. 
Hieromme zo peinsde hij doe. 
Ende die here sprak hem toe, 
oft hij wil hem in trouwen zweren, 
hij zal doen al zijn begeren·. 
Die ridder die klein verstoet· 
niets vermoedde
ofre wiste des hertogen moed· 
bedoeling
ofte waaromme hij vragen wille
ende gerne bleve in den lande stille, 
geloofde ’t den hertoge met eeden. 
beloofde
Ik wane hem nooit zo leede 
en geschiede, als dat hij ’t dede. 
Die hertoge zeide: ‘Bij waarhede, 
ik hebbe lange U vriend gezijn; 
daarom en kan in ’t herte mijn 
niet komen, dat gij ongetrouwe 
mij zoudt doen, al zeit ’t mijn vrouwe. 
Maar ook des wanhaget mij·. 
Dat zeg ik U wel waarbij: 
om dat gij U houdt zo jolijs, 
gij moet emmer· zijn amijs 
van vrouwen ofte van jonkfrouwen; 
dies ducht ik zere mijnre vrouwen, 
dat ’t mijn wijf es, dien gij mint. 
Want zelve deed zij mij bekind 
ende tussen ons tween te verstane, 
dat gij haar zelven sprakt ane. 
Zegt mij, es zij ’t zelve ofte wie ’t zij, 
want gij hebt het gezworen mij. 
Ende doedijs niet, al te hand 
zo verbiede ik u mijn land 
als verbannen ende verdreven 
zonder keren, want u leven 
doe ik nemen, weet vor waar, 
keerdi emmermeer van daar.’ 
Die ridder, die dit hevet verstaan, 
bleef in groter angste bevaan 
ende en dorste zwijgcn no spreken bloot; 
want beide zo was ’t zijn dood, 
ofte te rumene zijn lant 
of verlaten zijn land
ofte zijn minne, die onbekand 
was, te openbaren daar. 
Die zaken waren hem te zwaar; 
node worde hij verdreven 
ende node woude hij te kennen geven 
zijn vriendinne, wie zij ware, 
dus stond hij in groten vare; 
want hij wel weet al bloot, 
welk hij doet, het es zijn dood. 
Ook weet hij wel te voren, 
liet hij ’t, dat hij es verzworen· 
meinedig
ende over valsch ’t land rumen moet· 
eerloos
ende verliezen vriendinne ende goed. 
Maar goed ende land hadde hij te waren 
al te malen laten varen, 
hadde hij allene behouden mogen 
zijn vriendinne, diene· in hogen· 
die hem vreugde gaf
ende in peise· leven dede. 
en in vrede deed leven
Hij peinsde om die zoetighede 
die ze hem dikke hadde gedaan, 
als hij ze in zijnen armen hadde bevaan. 
‘Ay, moet ik ze al hier verraden, 
zo verlies ik ze bij mijnre mesdaden. 
Als ik peinze om die minne 
ende om doe schoonheid die zij inne 
hevet, die schone creature, 
Zo eest wonder dat ik dure·’. 
is het verbazingwekkend, dat ik het uithoud
Alse dus die ridder goed 
in den groten angste stoet, 
wat hij mochte anegaan·, 
moest beginnen
weende hij herde menegen traan. 
Alse dit merken began 
de hertoge, die dit zag an, 
ontfarmde hij ’s, want hem te male· 
kreeg hij medelijden, want hij meende
dochte, dat hij zijn zake wale 
niet voor de zaak durfde
niet en der ontdekken wel·. 
uitkomen
Die hertoge, die niet en was fel, 
zeide: ‘mij dunkt in u gelaat· 
door uw gedrag
dat gij mij houdt over· kwaad 
ende over valsch, dat ik zoude 
u dink ontdekken alzo houde·; 
uw geheim dadelijk zou openbaren
mij dunkt, gij en betrouwt mij niet. 
Ay, en zoud’ ik het helen niet?
Bij gode, here, dat kint wel·, 
eer ik ontdekke iement el 
dat mij die lieden zeiden 
aldus in heimelijkheiden, 
ik liete mij eer d’ogen over luud· 
in het openbaar
d’een na d’ander steken uut. 
Waandi dat ik vals zoude zijn? 
Neen ik, al ware ’t die zuster mijn! 
Dat gij mij zegt, neen ik bij gode, 
ik zoud ’t vertrekken herde node·.’ 
ik zou ’t in geen geval aan anderen vertelllen
‘Here’, zeit hij, ‘gij zegt waar. 
Maar ’t vertrekken· es mij te zwaar 
dit te vertellen
want zeidi ’t iement die nu levet, 
die de wereld binnen hevet, 
ik zou ’t besterven zekerlijke.’ 
Doen antworde die hertoge rijke: 
‘Dat gelov’· ik U bij mijnre trouwen, 
dat ’t nimmermeer man ofte vrouwe 
van mijnen wege weten zal, 
dat houdt voor die waarheid al, 
noch in gelate noch in waard·.’ 
Die ridder stond zere vervaard 
ende weende utermaten zere: 
‘Hier op zal ik ’t zeggen here, 
dat gij vraget, verstaat mij. 
Ik minne uwer nichten van Vergi, 
die overschone borchgravinne, 
ende ik weet wel, dat haar mijn minne 
herde ontvankelijk weder es.’ 
Die hertoge zeide: ‘Berecht ·mij des, 
vertel
levet enig mense, die weet, 
hoe ’t tusschen u beiden steet?’ 
Die ridder antwerde ende zeide: 
‘Dat weet, here, voor waarheide·, 
dat geen mense zonderlingen· 
geen enkel mens
en weet van onzen dingen.’ 
Die hertoge zeide: ‘Hoe mag Zijn dat? 
Hoe zoudi komen te eniger stad 
hoe kun je dan ooit ergens met elkaar
onderlinge te eniger sprake?’ 
spreken
‘Here, na dien gij onze zaken 
al dus vele weet, zo wil ik u 
al de waarheid vertrekken nu.’ 
Doen liet hij hem daar verstaan, 
hoe een hondeken kwam gegaan 
int prieel heimelijke, 
ende hij dan wiste zekerlijke, 
dat te dien tijde bij hare 
niemen in die kamere en ware. 
Die hertoge zeide: ‘Es dit waar·, 
zo bidde ik U, leidt mij daar, 
t’eerst als gij daar gaat·, 
te beziene oft aldus staat. 
Ik zwere u bij der trouwen mijn, 
dat ik daar al zo heimelijke zal zijn, 
dat ’s· mijn nichte niet· weten en zal.’ 
niets daarvan
‘Here’, zeid’ hij, ‘dit love· ik al’; 
Ik getrouwe u alder doget·.’ 
ik verwacht van u alle goeds
Die hertoge zeide: ‘als gij wel moget: 
Van mij en weet ‘t nemmermeer man.’ 
‘Vortmere zeg ik U dan, 
here, op dat u vernoit· niet, 
verdrieten, vervelen
t’avont, ala gij ’t donker ziet, 
dan zal ik gaan derwaart; 
dan moogdi zien, op dat gij ’t gaart·, 
ende mede gaan aldaar ter stede.’ 
‘Ja, ik, bij mijnre kerstenhede.’ 
Zij viseerden· daar te stad 
spraken af
onder hem beiden· dat·, 
met elkaar  de plaats
waar zij vergaderen· zouden, 
als zij derwaart gaan wouden. 
Dus zijn zij gescheden beide 
tot in der deemsterheide. 
Den hertoge verlangde zeer daar naar, 
want hij wiste gerne voor waar, 
weder dat ’t zijn nichte zij, ofte en zij. 
Savons kwamen zij, geloves mij, 
ter stad, daar zij hadden gezeid, 
ende gingen een weg gereid 
ten bogaarde onder hem beiden 
met wel groten blijdheiden. 
Doen zij er beiden binnen waren 
kwam ’t hondekijn zonder sparen, 
alzo als ’t er te komen plach. 
Alse dat die hertoge zag, 
zo is hij een weg gegaan 
ende liet den ridder allene staan, 
omdat hij niet en woude, 
dat ’t zijn nichte weten zoude. 
Dat hondekijn kwam ten here 
ende hij toefdene· herde zere. 
liefkoosde
Daarna kwam die borchgravinne, 
diene ontvink met blijden zinne. 
Daar was gehelsd ende gekust, 
des hem beiden wel lust; 
ende menig vriendelijk waart’ 
sprak d’een ten anderen waart. 
Die hertoge zag al toe, 
hoe ’t daarmede was, ende hoe 
zij mallijk anderen zere kusten, 
dies hem beiden wale luste. 
Die ridder zeide: ‘Mijn vriendinne 
zijdi boven alle, die ik kinne; 
gij zijt mijn troost ende joie, 
gij zo hoedt mij van vernoie·.’ 
‘Wel lieve lief’, zeide die vrouwe, 
‘gij zijt mijn feeste, zonder rouwe; 
want ik weet al zonder waan, 
als ik u hebbe in mijnen arm bevaan, 
gezond ben ik ende blijde, 
zo ne mocht ik te dien tijde 
niet gekrijgen op erdrijke 
blijschap al die gelijke.’ 
Die hertoge, die ’r merkte naar, 
hevet verstaan wel voorwaar, 
dat ’t was zijn nichte ende niement el, 
die den ridder ontvink zo wel. 
Dies liet hij neder vallen stille 
al gader zijnen kwaden wille, 
ende hield dat voor waarheide, 
dat hem zijn wijf logene zeide 
ende valshheid dede verstaan; 
zijn meswanen· liet hij gaan. 
wantrouwen
Doen den nacht leden was 
ende die dag komen was, 
doen moesten die gelieven scheiden, 
met hoofschen woorden onder hem beiden. 
Ten scheidene lieten ze menigen traan 
ende menig zuchten ute gaan. 
Dus es die ridder weg gegaan, 
ende die vrouwe die look zaan 
een lettelkijn die dore naar·. 
achter hem
Maar zij bleef staande daar 
na hem ziende tote dien, 
dat zij ne nemmer mochte zien 
ende zank ook dit liedekijn: 
‘Altoos moeten mijn ogen zien, 
waar zij mijn lief vereeschen· mogen; 
bespeuren
want hij heeft al die herte mijn, 
des moet hij hebben met· die ogen.’ 
Doen die hertog besloten zag 
die dore, kwam hij al dat hij mag· 
ten ridder haastelijk gegaan, 
ende nammen· om den hals zaan 
ende klaagde, dat zijn jolijt 
duurde also korten tijd, 
ende zo kort waren die nachte. 
In dit gepeins, in dit gedachte 
was ook die vrouwe daar hij afschied, 
daar hij al zijn herte liet. 
Die hertoge zeide: ‘Bij onzen Here, 
ik minne u utermaten zere 
ende wil u van· mijnre vrouwen 
emmermeer vort getrouwen; 
want ik u getrouwe vinde, 
van dat ik niet en kinde.’ 
Die ridder zeide: ‘God loone u here, 
ik bidde u utermaten zere, 
dat gij ’t heelt voorwaart meer, 
want kwame ertoe enig keer· 
gebeurde het ooit
dat ’t iement wiste ofte ’t uut kwame, 
ik weet wel, ik er zeker an name 
die dood, zonder enige beide·.’ 
zonder aarzeling
Die hertoge antworde ende zeide: 
‘Zijt zeker, dat van mijnen wege 
ewelijk zal zijn gezwegen 
voor elken mensche die levet.’ 
Die hertoge orlof genomen hevet 
ende es van hem gescheiden daar. 
Als ’t etenstijd was daar naar 
ende die ridder kwam te hove, 
daar hij was van groten love 
ende geprijsd herde zere, 
die hertoge dede hem meerder ere 
dan hij hadde gedaan te voren. 
Des hadden die hertoginne toren, 
want zij zere die ridder haat, 
omdat hij ze hadde versmaad. 
Ende maakte haar ziek ende zwaar· 
ende stond op van der tafelen daar 
ende es in haar kamer gegaan 
ende ging neder liggen zaan 
op haar bedde, of zij ziek ware. 
Zij woude wol dat te hare 
die dood kwame, daar zij leget; 
doch heeft een knecht gezeget· 
den hertoge, zonder beiden, 
dat ze bevaan ware met ziekheiden, 
ende op haar bedde lag die hertoginne. 
Die hertoge, die grote minne 
droeg te zijnre vrouwe waart, 
werd te hand· zere vervaard, 
zeer snel
ende es haastelijk opgestaan 
ende in die kamer gegaan 
ter vrouwen ende vraagde hare, 
wat node dat haar ware. 
Die vrouwe, die haren toren wach· 
ende lettel goed den man ontzag·, 
en die haar man weinig vreesde
zeide aldus: ‘Te waren, here, 
mij deert uter maten zere, 
dat gij mij prijst zo lettel goed· 
weinig
ende zo lettel ere doet, 
dat gij den genen houdt over vriend, 
die an mij wel hevet verdiend, 
dat men haar name ’t lijf.· 
leven
Hij es kwader dan een keitijf·! 
schurk
d’Onnere, die hij mij meszeide, 
ende die hij mij te voren leide, 
was alzo wel uwe als mijn; 
maar ik en mag ’s niet gewroken zijn. 
Gij hebten· liever dan te voren! 
hebt hem
Om te meerderen mijnen toren, 
zo doedi hem meerder ere.’ 
‘Laat varen, vrouwe’, zeide die here 
‘weet wel, dat ik niet wezen en zal 
verradere, want ik boven al 
van mijne herten verraders hate, 
ende bij mij niet en duren en late. 
Wat hulpt die zake, die gij mij 
zeidt? Dat weet ik wel, dat ’t zij 
al logen ende niet waarheide 
zo wel weet ik zijn heimelijkheide. 
Hij ne peinsde nooit int herte niet 
die valschheid, die gij hem antiet· 
waarvan u hem beticht
Het ware beter, dat men ’s zwege.’ 
Die here stond op ende gink wege 
ende die vrouwe bleef verbolgen, 
die hem node zoude volgen. 
Maar eer hij emmermeer van hare 
verkrijgt stille ofte openbare 
solaas·, hij zal haar weten doen·, 
liefde, zal hij haar moeten doen weten
dat hij weet vanden baroen. 
Zij peinsde wel, dat zij zal 
nog van hem weten al. 
Mocht zijne· in haren arm gekrijgen, 
hij ne zoudt ’s haar niet zwijgen! 
Hierna peinsde die vrouwe zere, 
ende pijnde er na in allen kere 
spande er op alle manieren
hare ensien·, om dat ze woude, 
haar vernuft voor in
dat hij ’t haar zeggen zoude. 
Te waren, men hevet· dikke gezien, 
alse die vrouwen spannen na dien 
om te weten enig dink, 
dat hem enegsins ontzinkt. 
Zo anhangel· zijn die vrouwen 
hardnekkig
ende zo krijgel· in goeder trouwen. 
vasthoudend
Savons, als die nacht kwam toe, 
ende die hertoge kwam slapen doe, 
blijde wel ende in goeder hogen, 
zo es die vrouwe bezijden getogen· 
alse die haar belget zere·; 
maar in zijnen arm nam ze de here, 
ende kuste ze vriendelijke. 
Doen zeide die hertoginne rijke: 
‘Ligt met peise ende laat varen·, 
lig stil en laat los
want valscher man en leeft te waren 
op ertrijke, dan gij zijt een! 
Ende zotter wijf en levet geen 
in die werelt dan ik ben eene! 
Men zoude vroeder van enen stene 
snijden ofte houwen dan ik zij. 
Want wat dink gij zegt mij·, 
dat gelove ik u alte male· 
ende u gelaat ende u te tale·. 
Dat doet die minne, die ik t’uwert drage. 
Gij zegt mij menige loze zage·, 
ende doet verstaan·, dat gij mij mint. 
Ende ik ben ook zo kind·, 
dat ik u gelove wale 
van dat gij mij zegt te male 
Maar dat dit al logene zij, 
dat hebt gij getoond mij 
om een klein zake maar, 
daar ik u heden vraagde naar. 
Het es waar, ik en wilde weten niet 
dat gij dus groten valschheid pliet·, 
dat gij mij zoudt helen zaken, 
die gij wist, ofte enege sprake. 
Dat deert mij; ende gij zegt wale, 
dat gij deze wereld al te male 
niet zo lief en hadt, als gij mij daat. 
Nu zie ik wel, dat gij mij versmaat. 
Ende gij weet doch, lieve here, 
dat ik u minne herde zere 
ende ik u niet· gehelen en kan; 
het es recht, gij zijt mijn man; 
ware ’t mij goed ofte kwaad, 
ik zoude zeggen mijnen raad·. 
Maar flu zegge ik u, dat gij, 
wel kont helen jegen mij. 
Met deert ook mijnre herte zere, 
dat zegge ik u, wel lieve here!’ 
Mettien heeft ze een zuchten hegonnen 
ende een weenen, dat haar ronnen· 
stroomden
over d’anschijn die tranen. 
Die hertoge, die dit zag ane, 
het deerde hem zere, te waren, 
ende zeide: ‘Goede vrouwe, laat varen, 
ik en mochte die tranen niet gedogen, 
die gij laat uut uwen ogen, 
noch die grote zerighede. 
Maar weet wel voor waarhede, 
dat de zake, die ik weet, 
u te vertellen niet en steet·, 
ende niemen zone weet die, 
ende zo waar ’t dan dorpernie·, 
schandelijke laagheid
dat ik ze u liete verstaan’. 
Die vrouwe antwerde zaan: 
‘Here, zo en zegge ’s mij niet. 
Maar mij doet ’t int herte verdriet, 
dat gij mij niet en gelovet zo vele, 
noch in ernste noch in spele, 
alse te ontdekken enen raat·. 
geheim
Gij houdt mij zeker over kwaad! 
Ik waande heimelijker met u 
hebben geweest, dan ik ben nu! 
Gij haat mij, dat ’s goed te ziene, 
mij steets des raats wel t’ontziene.’· 
terecht vrees ik voor het geheim
Met dien weende ze vele meer. 
Den hertoge, dien ’t herte zeer 
hadde om zijns wijfs rouwe, 
antwerde: ‘Te waren, vrouwe, 
ik gelove u harde wale, 
dat gij emmer die tale 
zoudt helen, die ik u zeide, 
ende dat ik die heimelijkheide·, 
die ik hebbe in mijnen zin· 
U niet schuldig te helen en bin.; 
op dat· zal ik ’t u doen verstaan. 
Maar dat weet al zonder waan, 
bij mijnre trouwe, es dat zake·, 
gebeurt het ooit
dat ik er af hore enige sprake, 
gij sterft er omme, weet dat wale!’ 
Die vrouwe, die hoorde die tale, 
sprak: ‘Dit gelove· ik, want gij weet wel, 
dat ik en ben schalk no fel, 
zo dat ik enig dink, bij Gode, 
jegen o zou zeggen node.’ 
Die hertoge haar geloofde, 
daar bij sent zeer om droefde· 
ende begonst haar te vertellen al 
van zijnre nichte, groot ende smal, 
die borchgravinne van Vergi; 
ende hoe die ridder ende hi 
waren savons in dien bogaard, 
ende hoe hij gink bezijden waart,
ende hoe dat hondeken kwam, 
daar ’t den ridder staande vernam·; 
waar het de ridder zag staan
ende dat gevaren al te male· 
alle bijzonderheden van het gebeurde
vertelde hij haar herde wale; 
ende hiet· haar, dat zij t’ helen zoude 
beval
ofte· zij haar lijf· behouden woude 
want hij ’t haar op die dood onthiet· 
verbood
op dat zij ’t vorder zeide iet. 
Den hertoge geloofde zij ’t; 
maar weet, dat zij groten nijd 
hadde in haar herte binnen. 
Dat die ridder nedere minnen· 
zoude, ende haar ontzeide·, 
dochte haar grote versmaadheide, 
dat hij haar hadde gedaan. 
Zij peinsde in haar herte zaan: 
‘Ja, om die vrouwe van Vergi 
zo heeft hij versmaat mij. 
Maar op dat· ik den Sinxendag· 
Pinksterdag
met gezonden· leven mag, 
ik zal haar ene lesse lezen, 
zij zal daar af beschaamd wezen.’ 
Dit peinsde ze in haren zinne, 
maar wale hal· ’t die hertoginne. 
verborg
Te Sinxene, dat daar kwam bij·, 
zoude houden hof die hertoge vrij 
ende hij ontbood al te hande 
al die vrouwen van den lande 
ende die jonkvrouwen mede, 
want het was altoos zijne zede. 
D’eerste was die borchgravinne, 
die ten ridder droeg minne, 
Zij kwam te hove blijdelijke, 
want zij was schone ende rijke. 
Maar doen die borchgravinne kwam 
ende haar die hertoginne vernam, 
zo ontstak zij als een vier, 
want haar ogen zien ze hier, 
die zij haat alder meest. 
Nochtan heeft zij ze meest gefeest· 
ende getoond schoon gelaat 
dan eniger vrouwe die daar staat. 
Maar grote pijne doet haar ’t verdrag· 
dat zij haar niet zeggen en mag, 
dat zij wel zere begeert 
te ontdekken· te haar weert. 
Doen die feeste leden was, 
na den eten, gelovet mij das, 
zo heeft die hertoginne vernomen· 
die vrouwen, die daar waren komen 
ende leide ze in haar kamer binnen, 
om dat zij daar zouden beginnen 
dansen, reien vriendelijke. 
Daar was menig vrouw rijke, 
schoone, behagel· ende valiant·. 
bevallig   edel
Die hertoginne, die doe vand 
hare stade ende haren tijd· 
haar juiste ogenblik
moeste openbaren haren nijd, 
dies zij hadde in ’t herte vele, 
ende zeide, ofte ware in spele·: 
‘Vrouwe, borchgravinne, zijt blijde, 
want gij mint nu ten tijde 
een schoon lief ende feitijs’ 
welgemaakt
ende hebt enen fraaien amijs.’ 
vriend
Die vrouwe antworde spellijke·: 
‘Dat weet wel, vrouwe rijke, 
dat ik mijnre minne niemen en an· 
dan mijnen here, mijnen man, 
dien God geve blijschap ende ere, 
want ik en minne niement mere.’ 
‘Neen gij, vrouwe, deze tale 
es gelooflijk· wale, 
want gij hebt geleerd zo wel 
U ambacht, al zonder spel, 
an dat klein hondekijn, 
dat wel kan dat ambacht zijn.’ 
Die vrouwen hoorden ’t alle wale,
die daar waren in die zale, 
maar niet en wisten, wat ze droeg·, 
waarop zij doelde
om dat die borchgravinne loech. 
Maar die schone borchgravinne 
werd bedroefd in haren zinne; 
zij werd altemale ontdaan, 
ende ging in ene waarderebbe· zaan, 
garderobbe, kleedkamer
daar in lag ene zieke jonkvrouwe. 
Op een bedde viel die vrouwe 
droevende ende klagende zere 
ende zeide: ‘Ay, God, lieve Here, 
ontferme U mijns door Uwe godheid 
Wat is ’t dat mijn vrouwe zeit, 
die vermaande· van den honde mijn? 
Here God, wanen mag ’t haar komen zijn? 
Van niement, dan dat hij ’t heeft, 
dien ik minne vore al dat leeft, 
hare gezeid ende verraden mij. 
Nochtan en dede hij ’s niet, ’t en zij 
dat hij ze mint vele meer 
dan mij. Dat mij ’t herte zeer 
doet! Nu heb ik wel bekind, 
dat hij mij niet en mint, 
als hij mijns gelofte afgaat. 
Ay, zoete God, want ’t mij zo staat, 
dat ik en minne vore al die leven! 
Ende hoe mag hij mij begeven·? 
verlaten
Ende een ander vore mij geet, 
dat zo meeret mij mijn leed! 
Hij es die gene die ooit was 
mijn debuut· ende mijn solas·. 
mijn vreugde en troost
Ay, lieve vriend, hoe es dit komen, 
dat gij mij al zijt genomen 
ende die valschheid gedaan mij? 
Te waren, lief, ik waande dat gij 
mij getrouwer had geweest vele, 
beide in ernste ende in spele, 
dan Triestram· Isauden· was. 
Want God kent die waarheid das, 
dat ik u minde vele mere, 
dan Isaude· Triestrane· dede eere! 
Ja, zeerdere minde ik u mede, 
dan ik mijns zelfs lichame dede. 
Ende gij hebt mij nu verraden; 
dat zal mij mijn leven sehaden. 
Waarlijk, gij daadt zonde, 
want ik zal op deze stonde 
bekoren hier die bitter dood. 
Ay, lieve lief, twi maakte gij bloot· 
waarom maakt u ons geheim bekend
onzen raad,· dat wondert mij. 
Ik betrouwde u meer, dan gij 
mij hier trouwe hebt getoond. 
Ik ben verraden ende gehoond! 
Want ware God komen zekerlijke 
zelve ute hemelrijke, 
ende hadde mij geloofd· zijne vroude 
ende ik u daarmede zoude 
verliezen, ik hadde ’t wederzeid·: 
Gij waart mijn joie ende mijn blijheid! 
Zo groten rouwe hevet ’t herte mijn, 
omdat ik van u waande zijn 
gemind herde trouwelijke, 
dat gij mij dik valschelijke 
daadt verstaan met menigen woorde, 
die ik u zelven spreken hoorde. 
Ay, lieve vriend, ik en waande niet, 
dat gij mij zoudt laten iet·, 
ende vertellen onze minne, 
zij ’t hertoginne ofte koninginne. 
Waart gij lief, vore mij doot bleven, 
in vree en hadd’ik niet willen leven; 
dat weet, zoete lief, voor waar, 
ik hadde liever te sterven daar, 
ende zijn geleid neven u zijde. 
Zo ne mag ik nemmermeer zo blijde· 
zijn, als ik daar af zoude wezen. 
Ay, minne, is ’t recht van dezen· 
dat men vertelt ende openbaart 
onze begeerte ende onze vaart·, 
al ons doen
gelijk dat nu es gedaan? 
Metes waar, hij woude mij afgaan·, 
want ik zeide hem al openbare, 
alse onze minne werde mare·, 
dat ik ’t emmer· besterven zoude! 
Nu es gedaan mijne vroude, 
sent· ik scheiden moet van heme! 
Zo bidde ik Gode, dat hij mij neme 
haastelijke mijn leven, 
ende zijn genade mij wil geven, 
ende bidde Gode ontfermelijke, 
dat hij ‘t den genen ewelijke 
vergeve, die mij heeft verraden, 
ende sta hem ewelijk in staden 
sta hem altijd bij
ende geve hem ere ende prijs, 
ende vergeve hem in alder wijs 
mijn dood. Al heeft hij mij onwaard·, 
al geeft hij om mij niets
mijn hert altoos zijnre ere gaart·. 
begeert
Ende al heeft hij dit gezeid, 
van hem komt mij zulk zoetigheid, 
dat mij te sterven es geen pijne.’
Haar armen nam die vrouwe fijne, 
ende hevet haar zelven bevaan 
om haar borste, ende zeide zaan, 
zuchtende met groten zere: 
‘Lief, ik bevele U onzen Here!’ 
Hier met dwank ze haar arme toe, 
dat haar ‘t hart scheurde doe 
ende bleef dood liggende daar 
op dat hedde, dat es waar. 
Haren vriend ende amijs, 
die schone was ende faitijs·, 
en wiste niet van dezer dink. 
In die kamere dat hij gink, 
daar die dans was ende die feeste, 
maar en was hem niet dat meeste; 
hem en hehaagt ’s twint· niet, 
want hij er zijn lief niet en ziet; 
dat hem wonderde zere. 
Ten hertoge zeide hij: ‘Here,
Deus, Here, ende waarbij 
is ‘t, dat u nichte niet hier en zij, 
zij ne hevet hier niet gewezen?’ 
Die hertoge zag al omme met dezen; 
tot den ridder zeide hij met dien: 
‘Gaat in gene waarderebbe zien, 
want ik en zie ’r hier niet, 
ofte zij daar mag wezen iet·.’ 
Te hare liep hij haastelijke, 
ende helsde ze vriendelijke 
ende kuste an haren mond 
dik ende te meniger stond. 
Kond vand hij den monde ende bleek, 
daar zij haar zelven niet en geleek; 
hij zag wel, dat zij was dood. 
Doen riep hij met rouwen groot: 
‘O, vriendinne, die ik minde zere, 
Nu helpt God, wel lieve Here, 
zij es dood! Wat zal ik aangaan?’ 
Die maget die stond op zaan·, 
die daar ziek lag, doen zij hoorde 
ende verstond des ridders woorde. 
Zij zeide: ‘Here, het mag wel wezen, 
want men hoorde nooit lezen· 
van meerder rouwe dan zij 
heeft gemaakt, die vrouwe vrij. 
Om die dood heeft zij gebeden 
sint zij hier kwam, met droefheden, 
om dies die hertoginne zeide 
van haren minnen die waarheide, 
dat haar was harde leed. 
Want in die kamere zij haar verweet 
van een hondeken kleene. 
In dezen rouwe, in dezen weene 
heeft zij geweest een wijle groot, 
ende bat dik om die dood;
mij dunkt, zij heeft ze bekort·.’ 
ze heeft zich de dood aangedaan
Als die ridder verstond die wort, 
dat hij heeft dood die vrouwe hoge 
om ’t woord, dat hij den hertoge 
zeide ende al liet verstaan, 
doen werd hij met rouwen bevaan, 
dat hij beefde met allen leden 
in wanhoop
ende viel in onverduldigheden· 
ende zeide: ‘Lacen, lieve amie, 
dat u mijn ogen zage nie! 
Gij waart schone ende wel geraakt· mede! 
U doget ende U hoveshede 
die es al te male nu leden· 
ondergegaan
in wel groter jammerheden! 
Ik ben verradere ende ongetrouwe, 
ik hebbe u dood, wel lieve vrouwe! 
Het ware recht, dat ware gekeerd 
deze moord te mij weert, 
die gedaan heeft dit verraad 
ende deze grote overdaad. 
Ay, mij, gij ne mesdaat mij niet, 
al hebt gij er omme dit verdriet! 
Maar u trouwe es zo groot, 
dat gij zijt van rouwen dood! 
Nu es ’t recht, dat ik wreke 
over mij zelven haasteleke, 
die deze verradenesse dede.’ 
Aan ene wand hij nam ter stede 
een scharp zweerd, dat daar hing. 
Dat trak hij ute, ende ging 
weder daar die vrouwe lag, 
die hij droeflijk ane zag. 
Daar hij hare dus stond bij, 
met weenende ogen zeide hij: 
‘Ay, geraakte· vrouwe fijn, 
nu wil ik u goed rechter zijn 
van mijne grotere valschheden 
ende de ontrouwe die ik dede.’ 
’t Zweerd nam hij in die hand, 
dat hij haalde an die wand 
ende stak ’t hem recht in ’t herte vore, 
dat het b’ander zijde kwam dore 
ende viel neder op haar dood. 
Dit zag die maget, in angste groot
werd zij ende zere vervaard, 
ende liep ten hertoge waart 
ende dede ’t hem al zo verstaan, 
als ’t in die kamere was vergaan, 
ende hoe stierf die vrouwe fijn, 
om dat van haar hondekijn 
verweet mijn vrouwe die hertoginne 
vore· die andere, die er waren inne. 
in tegenwoordigheid van
Als ‘t die hertoge hevet verstaan, 
werd hij met rouwen zeer bevaan 
ende hij ging uter zale 
ende die jonkvrouwe al te male. 
In die waarderebbe es hij komen 
ende hevet die gelieve vernomen 
dood liggende alle beide. 
Een twint· hij doe niet· en zeide, 
al was ’t dat ’t hem zere deert. 
Mij toog uten ridder ’t zweerd 
zere verbolgen ende ontdaan 
ende es in die kamere gegaan, 
daar dans was ende feeste groot. 
’t Zweerd zo droeg hij al bloot 
ende es in die dans komen, 
daar hij zijn wijf heeft vernomen, 
ende sloeg haar ’t zweerd op ’t hoofd boven 
dat haar die hersene kloven, 
gelijk hij haar geloofde· wale, 
doen hij ’t haar zeide te male. 
Die vrouwe viel neder dood. 
Daar werd droefheid herde groot 
van hem allen te waren·, 
die daar ter feeste komen waren. 
Die hertoge zeide zaan 
vore· hem allen, die ’t wouden verstaan, 
alle die zake’ van woorde te woorde, 
daar ’t menig mense toe hoorde, 
die ’t al te rouwelijk klagen. 
Als zij die gelieve zagen 
alzo liggen beide dood, 
was daar rouwe herde groot; 
dat hof schiet· met rouwen daar. 
ging uiteen
Die hertoge dede daar naar 
die lijke graven zonder letten· mee. 
zonder uitstel
Onder enen zark leide hij die twee, 
die zo gelieve waren. 
d’Andere leide hij openbare 
eerlijk t’eenre ander stad. 
Ende die hertoge, om dat 
hij hadde den rouwe zo groot, 
dat zij om zijnen wille dood 
waren, heeft hij ’t cruce ontvaan 
heeft het kruis aangenomen
ende voer over zee zaan, 
daar hij te hand werd tempelier, 
ende liet al zijn heerschap hier. 
Daar leidde hij een heilig leven 
ende bevet deze wereld begeven·. 
zich uit de wereld teruggetrokken
 
Wie dat draget der minnen dogen·
Alwie (die het lijden) liefde in zijn hart draagt
trekke dit exempel voor ogen, 
ende hele die minne alte male 
jegen die liede, zo doet hij wale, 
zonder· jegen zijne vriendinne, 
Zo blijvet verholen zijne minne; 
want der verraders es zo vele, 
die gerne benemen der minnen spele. 
Dies moet ze god vermalendien 
ende algader hare partien: 
aanhang
Zegt alle Amen, het ’s wel gedaan. 
 
Deze rijme, weet zonder waan, 
was geënd zonder zage·
zonder verzinsels
in mey .xxiiii. dage, 
doen men schreef ons heren jaar 
MCCC, weet dat voorwaar 
ende XV daar toe mede. 
Nu zende ons God zijne vrede; 
des onne ons die hemelsche vader, 
Amen zegget alle gader. 
Amen. 
 

Ingezonden door IJme Woensdregt