Heile van Beersele

Dit's Heile van Beersele,
die de drie jaagde te spelen.
Gij hebt gehoord te meniger ure
vertrekken schone avonture
van messelijke dingen,
beide vedelen ende zingen
ende somtijds spelen met de herpe,
maar alzo vreemd als te Antwerpen
hier voormaals eens geschiedde,
zo en hebben alle die lieden
niet gehoord, waan ik wale,
alzo ik u in Dietse tale
vertellen zal, door ene bede
die een goed gezelle aan mij dede,
dies mij niet en woude verlaten.

Te Antwerpen in de Koepoortstrate
woonde, alzo ik mij verzinne,
ene herde goede gezelline
ende hiet Van Beersele Heile,
die hare dikwijls maakte veile
goede gezellen die zij 't jonste
ende die zij toonde hare konste.
Eens geviel 't, hoorde ik vertellen,
dat aan haar kwamen drie gezellen
op enen dag, als ik versta,
de ene voor en de ander na
en die haar allen om vriendschap baden
dat zij hen wilde gestaden
te komen daar zij ware;
zij wilden spreken tegen hare
heimelijk ende anders niet.
Als Heile van Beersele ziet
wat haar zo schone gevel,
peinst zij in haar harte wel,
zij zou hen allen zaden geruime,
haar en faalgeerde hare duime.
Dat eerste was, des gelooft,
een mooldere, hiet Willem Hooft,
die hiet zij komen ter zelver stond
rechts in den avond.
De ander was een pape, die hiet zij komen
als hij de slaapklok had vernomen.
Derde was haar gebuur, een smed,
die hiet zij komen ongelet
als de dieveklok geluid ware.
Dus scheidden zij alle drie van hare,
van goede troost ende blijde
ende elk wachtte wel zijn getijde.

Als 't kwam tussen dag ende nacht,
kwam Willem, die 't had gewacht.
Heile ontving hem blijdelijke
ende was met hem heimelijke;
ook speelden zij der minne spel,
want zij konste dat ambacht wel.
Dus lagen zij in hun jolijt
totdat 't was slaapklokketijd.
Toen kwam de paap met fieren
zin ende zeide: Heile, laat mij in!
Ik ben hier, gij weet wel wie.
Ai Heile, dat u lieve geschie,
sprak Willem. Wie is daar?
Willem, ik weet het niet, maar
het dunkt mij de pape te wezen,
hij zou mij over 't hoofd lezen
ende beteren mij wat mij deert.
Ai lieve Heile, werweert
mag ik haastelijke dan vlien,
dat mij de pape niet en mag zien?
Heile zeide: Daar boven hangt een bak,
dies ik hier voormaals gemak
had te menige stonde.
Aan de hanebalken is hij gebonden
met ene vaste zele wel,
daar zijt gij beter dan iegering el.
Toen hiet Willem de paap in doen
ende is in de bak gevloen
Heile deed de paap te gemake
ende als zij de wiekwake
driewerf hadden geslagen,
ging de pape liggen gewagen
uit der Evangeliën menig woord.
Ook, zo zei hij dit bat voort,
dat de tijd nog zoude komen
dat god de wereld zoude doemen
beide met water ende met vier
ende dat 't zoude wezen schier
dat de wereld verdrinken zoude,
groot ende klein, jong ende oude.
Dit hoorde Willem daar hij zat
boven, hoog in gene bak,
ende peinsde: Het mocht wel waar wezen!
Te meer daar 't de papen lezen
en 't Evangelie geeft getuge.
Hier binnen zo kwam Huge
van Beersele, de smed,
die te lange waande hebben gelet
ende gemert boven zijnen wil.
Voor de deur klopte hij stil.
Heile sprak: Wie is daar?
Ai Heile, dat ben ik, voorwaar!
Toen sprak Heile: Gij en moogt niet binnen!
Al Heile, wel lieve minne,
zult gij uw gelofte dan breken?
Ik moet u immers eindelijk spreken!
Gij zult niet, sprak Heile, te dezer stond,
want ik ben niet wel gezond.
Gij en moogt niet in komen nu.
Ai lieve Heile, zo bid ik u
of ik mag te dezer stond
dat gij mij kussen laat uw mond!
Toen zei Heile tot de paap:
Ai here, laat kussen deze knaap
uw achterste end, hij zal wanen wel
dat ik 't ben ende niemand eI.
Zo zaagt gij boerde nooit zo goed!
De pape stond op metter spoed
ende zette de kavelen zijn
tehand voor een vensterkijn
en Huge waande dat 't Heile waar
en kuste 's papen aars aldaar
met zo heten zin
dat zijn neus vloog daarin,
zodat de smed zonder waan
harde wel waande te zijn gevaen
gelijk de mees in de klove.
Van toorne werd hij al verschoven,
want hij was niet zo verdoord
hij niet heeft gevoeld en gegoord
dat hij gekust heeft een aars
want de mond dochte hem staan dwar
ende de kavelen op ende neder.
Weet kerst, peinst hij, hier kom ik weder!
Hij liep thuis als [een] die was erre,
een groot ijzer nam hij gereed
en stak 't in t vier en maakte 't heet,
zodat 't gloeide wel ter keur
en liep ermee voor Heiles deur
ende riep: Heile, lieve minne,
ik moet nu eindelijk inne,
of ik moet kussen uw mondekijn,
d'een van de twee moet het immers zijn,
of ik sta hier al de nacht,
hiertoe dwingt mij uwer minne kracht!
De pape, die zijns niet vergat,
hij zette weder zijn achterste gat
waar hij 't tevoren had gezet
ende de smed stak ongelet
't gloeiende ijzer in den ers.
Toen zong hij luide dit vers:
'Water, water, ik ben dood!'
Dit riep hij met angste groot,
ende harde lange stond,
dat woord verstorf hem in den mond.
Toen werd Willem in grote zorgen,
die daar boven lag geborgen.
Hij peinsde: Nu is 't waarheide
van wat die pape te nacht zeide
't water is gekomen zekerlijke,
nu zal 't verdrinken al 't aardrijke.
Maar is 't dat ik henen drijve,
de bak houdt mij wel te lijve!
Zijn mes hij gegrepen
en sneed in twee de repe
daar die bak mede hing
Toen zeide Willem deze ding:
Nu wouds God en goed geval
of Willem Hooft iet zeilen zal.
Aldus kwam Willem met allen
ter aarde nedergevallen,
wat hem dede harde wee,
want hij toen brak in twee
zijn arm en zijn dikke schenkel.
De paap schoot in een winkel
en waande dat 't de duivel waar.
In enen vuilen put viel hij daar.
Alzo als men mij doet weten
kwam hij thuis al bescheten
ende zijnen aars al verbrand,
te scheren gedreven ende geschand.
Hij hadde beter gebleven thuus
ende gezongen zijn Benedicamus.
Aldus voeren Heiles gasten.
De smed had ook onraste,
maar hij verdroeg 't vele te bat,
dies de pape klooide zijn gat,
daarmee had hij zich wel gewroken.
Met oorlof is dit gesproken:
Wie met hoeren ommegeet,
toren, schade ende leed
is hem nakende, zonder spel,
dat scheen Heiles gasten wel.

Handschrift Thorpe, midden veertiende eeuw


Ingezonden door IJme Woensdrecht, ijmeco@online.sh.cn