DE  KREUPELE  BEDELAAR



De kreupele zou uit vreugderijen
al met zijn ezelinne:
de ezel blind, de kreupele mank,
konden de weg niet vinnen.

Maar als hij onderwege kwam
dan vonden zij een water:
de ezel blind, de kreupele mank,
vielen samen daar inne.

De kreupele nam zijn krukken aan
en kwam welhaast ten hogen.
"Nu zie ik nog een waardinnenhuis,
daar zal ik mij gaan drogen."

Als hij aan t waardinnenhuis kwam,
hij klopte op de deure:
"Waardinne licht, van zinnen zacht,
sta op en laat mij inne!"

"k En sta niet op noch laat u in,
de lakens zijn hier te dure!"
"Waardinne licht, van zinnen zacht,
k zal slapen bij het vure."

Maar s nachts, omtrent de middernacht,
de kreupele begon te wenen:
"Waardinne licht, van zinnen zacht,
ik slaap zo node allene!"

Dat gij node allene slaapt
dat geeft mij gans geen wonder,
en trek dan uit uw kous en schoen
en kruip dan bij mij onder."

En hij trok uit zijn kous en schoen
en kroop bij t waardinneke onder.
Maar wat zij deden en zeg ik niet...
Dat geeft mij gans geen wonder.

En s morgens vroeg, de dag kwam aan,
de waard kwam thuis gegangen.
De kreupele sprong het venster uit,
zijn krukken liet hij hangen.

Maar als hij in de velden kwam
begon hij luid te zingen:
"En als de waard niet thuis en is,
dan slaap ik bij de waardinne!"


[Anonieme dichter]