ANONIEM (16e eeuw)

Tfy weirelt wt alder allendichheyt

Tfy weirelt wt alder allendichheyt,
Thy glorie, tfy welde, thy wtwendichheyt,
Als Judas cussende, condy ons doerwonden.
Tfy pompiues broos leven, sondige blendichheyt,
Tfy schoonte, tfy wellust, tfy behendicheyt,
Tfy tytlyc spel, musicke, tfy tafel ronde,
Corruptie heeft ons menschen gevonden,
Ter cause van sonde.
Twoort eerde, dat naeckt quam, scheyt blott;
Misdaet het de felheyt des doots ontbonden,
Sy liggen, die stonden.
Voetsel der wormen wert elcx lichaem,: tis noot;
Hoe wys, hoe sterck, hoe schoone, hoe groot,
Dafgryselycke doot // neemtse in haer bejach;
Fel is serven tytlyc, quader deeuwige doot.
De siele grouwelt, dilichaem wart swaer als loot:
Ay sterven, sterven is een hert gelach!

Och wy leefden geerne & wy moeten sterven!
De weirelt behaecht ons & wy moetnse derven!
Ons en baet banddoeck, plaester noch medesynen.
Wat baet ons hoocheyt, ons gronden van erven,
Daer wy godt om tertoornen menichwerven,
Ons dienstvolk, ons gelt, ons kisten, ons schrynen?
Wy moeten al steven, o see vol pynen!
Ons geesten verdwynen,
Tgesichte traent, de borst sucht, de mont crocht,
Elck sorcht, vliet, vreest, hoe heylich sy schynen,
Elck beclaecht dan den synen.
Godts sweet wert bloedich, doen hy te sterven bedocht;
Wy clagen thoot, rugge, leden & en schout,
Wy roepen: Jesus! oft ay my! lasen! o wach!
Dan wrdet teeken des heylich cruys ghesocht;
Waslicht, wywater wert dan bygebrocht:
Ay sterven, sterven is een hert gelach!

O doot! ghy goet alle myn crachten flouwen;
Want niemant, hoe hert, en ontfliet u clouwen;
U strange passie maeckt ons vervaerlyc;
Cout sweet doedy tgeheel lichaem douwen;
De wangen ontblixemen, de lippen blauwen;
De kele doede ruetelen misbaerlyc.
Int sterven ghemist men syn sinnen eenpaerlyc;
Thoot hangt seer swaerlyc;
DE aderen bersten, de senuen recken;
Tcorpus wert cout, den polst jaecht claerlyc;
Doogen staen stuerlyc;
Armen, beenen sietmen van pynen strecken;
Sprake, verstant & memorie vertrecken.
U presencie, doot, ons sonder verdrach;
Tgebeente faelgeert, dlichaem bleeckt met plekken;
Dees punten, o doot, u felheyt ontdecken:
Ay sterven, sterven is een hert gelach!

Peyst hoe de doot int sterven duersnyt,
Peyst hoe de peyne dinwendige leden duerryt,
Peyst hoemen tvolck om hebben siet vroeten en grielen,
Peyst hoe derfgenamen dan om tgoet verblyt,
Peyst hoe de vyant om de siele stryt,
Peyst hoe de wormen den lichaem vernielen,
Peyst hoe de pristers roepen & knielen
Om troost de sielen,
Prekende perforste patientie;
Peyst die noyt eeuwen noch wet en hielen,
Noch cranck en misvielen,
Hoe dat sy dan jagen om penitentie;
Medesyn, bichtvader crycht dan al credencie.
Een elck wapen hem voor desen slch.
O schoudy pocken, cortsen & pestilencie,
Ghy moet sterven; dit leert experiencie:
Ay sterven, sterven is een hert gelach!

                    Prinche

Dit sterven soo divers is van manieren,
& smenschen henenvaert soo menigertieren,
Dat smaeckt mynder herten als galle dranck.
Synt schoone princhersen of princieren,
Oft kinders inder wiegen, men sietse niet vieren,
Tmoet al aen Mschabeus dans; tis bedwank.
Ten baet schreyen, kermen oft handen ghewranck;
Wat gesont is twort cranck;
Mont, oogen, ooren worden stinckende gaten;
Als een gebluste keerse gevet lichaem stanck,
Hoe wellustich, hoe blanck,
Alst vander eelder sielen wort gelaten.
Die dieven meest minnen, tsterven meest haten,
Soomen dagelycx aent volck wel mercken mach;
Noyt vrouwen, prelaten, noch ondersaten
Bitterder morseel dan de doot en aten:
Ay sterven, sterven is een hert gelach!
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 8 september 1996


Coster-pagina