Paardje rijden

Baker- en Kinderrijmen

Kallemoeie reê te pêrde,
Op een hond die niet en zag.
Kallemoeie reê zo verde,
Kallemoeie viel er af.
Eun, deun dansen,
Morgen komen de Franschen,
Morgen komen de heeren,
Met opgeschorte kleeren,
Morgen komen de vrouwen,
Met opgeschorte mouwen,
Morgen komt de akkerman
Met zijn paardjes achteran,
Bette-ke-tet! Ik moet ook mee.
Schok, schok, schok;
De boer rijdt op een rok,
Een nieuwen rok van blâren,
Om naar Oostinje te varen;
Schok, schok, schok!
Ju, ju, paardje,
En jij moet naar de stal;
De koetjes eten 't hooi op,
En jij krijgt niemendal.
Ju, ju, paardje,
Met jou vlassen staartje,
Met jou koperen voetjes,
Waarom rij je zoo zoetjes?
(Sittard)
Hod hod päertje,
Köllen op en äertje,
Köllen op en assenoot,
Mörge is et kindje groot.
(Zaanstreek)
Huje, paardje, op een draf,
Morgen is het Zondag.
Dan gaan we rijen
Naar 't land van Lombardijen.
Toen .... 't Lombardijen kwam,
Raad eens wat hij/zij daar vernam:
't Hondje likte de boter,
't Poesje likte de schotel,
Piep zei de vleermuis,
Morgen komt 't kindje weer thuis.
Paardje, wouje wat harder loopen,
't Zou je een mandje met haver koopen;
't Paardje, dat liep op een draf,
Toen ik 't een mandje met haver gaf.
Ju, ju, paardje, rij maar steê;
Breng er een zak met meeltje meê.
T'avond zullen we koekjes bakken,
Als de hoentjes eitjes kakken.
Leggen ze weinig, leggen ze veel,
Alevel bakken we koekjes van meel.
Paardje, paardje, rij naar steê,
Breng voor 't kindje koekjes meê.
Koekjes met vier hoekjes,
Aan alle kanten even smal;
Raadt eens, wie die hebben zal?
't Kindje krijgt die koekjes al;
Als het stout is niemendal.
Huje, huje, paardje,
Met je vlassen staartje,
Met je koop'ren voetjes.
Voerman, rijd wat zoetjes,
Voerman, rijd wat op een draf,
Dan leit dat zoete beestje
Den weg veel korter af.
Ju, ju, paardje,
   Rijd er meê naar steê,
Breng voor ons lief kindje
   Een lekker koekje meê.
Een koekje van twee blanken,
   Ons kindje zal je bedanken.
Huje, paardje, rijd ter meulen,
Breng mij toch een zakje meel.
Dan zullen wij koekjes bakken,
Die in kindjes mondje stoppen.
  Snap, snap, snap:
Poes heeft alles opgehapt.
Ju, je paardje,
Met je vossen-staartje,
Met je ruige pootje,
Spring eens over een slootje,
Van het slootje in het riet;
Dat doet kindjes paardje niet.
Het slot anders:
Ju, je paardje,
Met je vossen-staartje,
Met je ruige pootje,
Spring eens over een slootje,
Van het slootje in het riet;
't Kindje kent zijn moeder niet.
Van het riet op den wal,
't Kindje kent zijn moeder al.
Hop, hop, mijn paardje,
  Hop, hop, hop!
Eerst in een drafje
  En dan in galop.
Wil je niet hooren,
Let op de sporen.
Prikken doet zeer.
Huppel niet meer.
Straks krijg je haver,
Twee korfjes klaver,
Drinken daarbij,
Marsch! dan met mij
Hobbel de bobbel m'n besje
't Kindje p.... in 'n fleschje!
Van het fleschje in de schoen,
't Kindje wil 't nooit weêr doen.
't Kindje wil 't nooit weêr doen.
't Kindje wil 't nooit weêr doen.
Hop-hop, hop-hop, paardje!
Met je vlasse staartje,
Wil je mee naar Tiel toe gaan?
Anders moet je blijven staan.
Zóó rijden de heeren
Met 'er bonte kleeren;
Zóó rijden de juffertjes;
Zóó rijdt de akkerman,
Met zijn paardje achteran;
Hotsel den botsel, den karreman!
Ju, ju, paardje!
Naar den Briel om visch;
Je weet niet, wat voor weêrtje
Dat het morgen is.
Geef het paardje klaver,
Geef het paardje haver,
Geef het paardje kaf,
Dan loopt het op een draf.
(Zaanstreek)
Hu, hu, Joken!
Zoo rijden wij naar Tolken,
Van Tolken naar de Zijp.
De kersen zijn niet rijp;
Zij moeten nog wat groeien.
(Jantje) koopt koeien.
(Drenthe)
Zoo ridt de akkerman
Met de peerdties zachies an,
Zóó rieden de heeren
Mit de wilde peeren.
(Friesland)

1

Hoet, hoet, hinke,
Nei Liowerd om en pinke,
Nei Snits om en witebrea,
Jeie wy al ûs hinkes dea;
Op ien nei, op twa nei,
Op ûs litse keaddeman nei.

2

Foart happe! nei Dockum ta!
Hwet scille wy den op 'e reis ha?
Barndewin mei sûker derin,
En daen mar wer op hûs in.
Vort, Keddeman, vort!
Rij maar naar den molen toe,
En haal me daar wat gort;
Dan zullen we een brijtje koken
Voor ons kleine poppe,
Dat zal haar in 't mondje smaken;
Vort, Keddeman, vort!
(Sittard)
Jöddere, jöddere mölen!
Pastoor zout op het völen,
De köster op de bunjtje kou,
Die réhe noa de möle toe
Al um e maauwer wikken;
Waat zal dat pâertje schlikke,
Al um e maauwer haver,
Waat zal dat paertje drave,
      Hop, hop, hop,
      Paertje in galop.
Venlo
Hup, peerdje meule,
De Keüster zit op 't veule,
Pastoër zit op tie bunte koe,
Zoë rieje we noa de meule toe.
  Hup, hup, peerde draf,
  Morgen is het Zoöndag.

Dan kome die Hiëre,
Mit die boônte kliere;
Dan komen die vrouwe,
Mit die boônte mouwe;
Dan kump den akkerman,
Mit zien peerdje achteran.
  Hup, hup, peerdje draf,
  Morgen is het Zoöndag.
Ziet, roo rijen de Heeren.
Met er bonte kleêren;
Ziet, zoo rijen de vrouwen,
Met 'er wije mouwen;
Ziet zoo rijen de joffertjes,
Met 'er mooie pantoffeltjes,
Ziet zoo rijdt den akkerman
Met zijn paardje achteran;
Ju ju, zeggen we dan.
En Mevrouw van Rosendaal,
Die had vier ju,ju, jutjes
Een koetsier met blauwe rok,
Met een rooien kraag er op.
Heideredeintje!
Beresteintje
Heeft een paard,
Dat eet krintjes,
Poept rozijntjes,
maalt mosterdje met zijn staart.
Hossetent, hossetent,
Zoo rijen we naar Brugge,
Zoo rijen we naar Gent,
Van Gent naar Nieuwpoort,
Nieuwpoort, ho!
Rijen we naar Wielewale,
Wielewale, ho!
Och, mijn lieve heertje!
Mijn buikje doet me zoo zeertje!
Dat komt van al dat huppelen
Over die groote druppelen.
  Hos, hos, hos!
En zoo raakt het paardje los.
Anders:
Hossetent, hossetent,
We rijen naar Brugge,
We rijen naar Gent,
We rijen naar Antwerpen,
Met al de schoone kerken;
Kan rijen we nog 'en lutter voort,
Totdat we komen te Nieuwpoort
Nieuwpoort, hou!
Wat bliefje schoon juffrouw!
Ga je meê uit spelevaren,
Spelevaren, hou!
en Och, mijn lieve heertje!
Mijn buikje doet me zoo zeertje!
Dat komt van al dat huppelen
Over die groote druppelen.
  Hos, hos, hos!
En zoo raakt het paardje los.
Jan-baas had een paardje
Met een hooge rugge,
Hij liep er om en hij zat er op,
En hij reê er mee naar Brugge.
Hobbeldebob en 't paardje sprong,
En Jan viel over den zadel om;
En alle de buren kwamen gegaan,
En die riepen allemale,
Als dat Jan-baas, van over de Maas,
Was van zijn paard gevallen.
Joei, joei, joei!
Naar Hoorn om een koei,
Naar Schagen om een wagen,
Zoo rijen we alle dagen,
Van Marken tot Akersloot,
Om een schootje wittebrood.


[Baker- en Kinderrijmen pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.