Schuitje varen, theetje drinken

Baker- en Kinderrijmen

(Rotterdam)
Roeien, roeien naar grootje toe,
Grootje heeft een bonte koe,
Met horens,
Kerken hebben torens;
Huisjes hebben dakken;
Koekjes zullen we bakken,
Als de bakker brengt de gist
En het koetje melk p.st,
En het kippetje eitjes leit,
Koeken zal bakken de keukenmeid.
  Schuitje varen,
  Theetje drinken,
  Blommetjes plukken,
  Bestje met krukken,
    Dom, dom, dom.
Dan gaan we naar den Overtoom,
Daar drinken we zoete melk met room,
Zoete melk met brokken.
Tien slaat de klokke;
En als de klokke tien slaat,
Dan komt de klapperman op straat.
         Elf, elf uren,
  De meisjes moeten schuren,
  De jongens moeten water halen,
       Achter bij de buren.
Schuitje varen, theetje drinken,
Bloempjes plukken;
Bestje met de krukken,
Tollen, tollen over de zee;
Breng een schuitje met appeltjes mee.
Tien, tien ure,
De meisjes moeten schuren,
De jongens moeten water halen,
De kippetjes moeten drinken.
Hier een stoel en daar een stoel,
Op iederen stoel een kussen;
Meisje houd je kinnebak toe,
Of ik sla er een pannekoek tusschen je kin,
Daar kan best een spekkoek in.
Schuitje varen,
Theetje drinken,
Varen naar den Overtoom,
Eten zoete melk met room,
Zoete melk met brokken;-
Meisje, ken je wel jokken?
Schuitje varen, zee, zee!
Kindje! ga je meê, meê?
In dat mooie schuitje
Naar ôpa toe?
Opa heeft een bonte koe,
Die zal ôpa melken.
't Kindje zal ôpa helpen.
't Kindje vroeg, waar 't schuitje lei?
't Schuitje lei in 't water;
't Koetje gaf een blater,
't Koetje gaf een schop,
Toen was al de melk op.
Schuitje varen naar grootje toe,
Grootje heeft een bonte koe,
Die kan grootje niet melken.
't Kindje moet haar helpen:
Roei wat an, roei wat an!
Dat 't kindje gauw bij grootje kwam.
Schuitje varen over de zee!
Schippertje neem je mijn kindje ook meê?
Neê schippertje, neê,
Jij krijgt ons klein kindje niet meê.

Schuitje varen over de zee!
Schippertje neem je ons papaatje ook meê?
Neê schippertje, neê,
Jij krijgt ons pa-pa-tje niet meê.

Schuitje varen over de zee!
Schippertje neem je ons mamaatje ook meê?
Neê schippertje, neê,
Jij krijgt ons ma-ma-tje niet meê.
Schuitje varen over de zee;
Brengen een schuitje met appeltjes meê.
Roeien, roeien, kooien,
Schippertje vaart ter dooien,
Schippertje vaart te wijn, wijn, wijn,
Daar alle mooie meisjes zijn.
Keer omme, keer omme,
Mooi meisje, keer je eens omme,
Lief kindje heeft zich al omgekeerd,
Dat heeft ze van vader en moeder geleerd.
Roeien, roeien, kooien,
't Schippertje vaart ter dooien,
Naar den Briel al om de visch
Weetje niet waar klein Jantje is?
  Hier boven, hier boven,
  Wittebrood in den oven;
Al wie 't wittebrood niet en mag,
Die moet vasten den ganschen dag.
Roeien, roeien, kooien,
't Schippertje vaart ter dooien,
Naar den Briel al om de visch
Weetje niet waar mijn vadertje is?
Daar boven, daar boven,
Wittebrood in den oven,
Bier en brood in 't zoutvat,
Meisje, waarom doeje dat?
Had ik een stok, ik zou je slaan,
Dat je niet over de aard kondt gaan;
  De aard die ging je pletteren,
  Mooi meisje leer je letteren,
Terdegen, terdegen,
De klok slaat halfnegen,
De klok, die slaat halftien;
Meisje, heb je geen dieven gezien?
Roeien, roeien, kooien,
't Schippertje vaart ter dooien,
Naar den Briel al om de visch
Weetje niet waar de veerman is?
  Haal over, haal over!
  Wittebrood in den oven;
  Al wie niet gelijk en komt,
  Zal betalen tien pond;
  Tien pond en een halve,
  't Koetje zal morgen kalvern;
  En kalft het koetje morgen niet,
  Dan kalftet 't heele jaartje niet.
  Rooien, mekooien,
  Waar zal ik je gooien?
  In 't Maasland,
Waar je die groote kabeljauwmooten,
Waar je die lekkere visschen vangt.
(Fragment)
  ................
  En als ik sterf, dan ben ik dood;
  Dan leg ik onder 't rozeboompje,
  Dan hoor ik al de engeltjes zingen,
  Dan kom ik uit mijn kissie springen,
  En als ik spring, dan spring ik snel.
De dood zoekt het leven en 't leven zoekt de dood;
Dan varen we in een schuitje en eten we kaas en brood.
  Tiere liere luitje,
  Moeder mag ik een beschuitje?
Want vader heeft gezeid, dat ik zoo goed kan lezen,
Een ruiter wil ik wezen,
Een ruiter op een paard
Met een vergulden staart. -
En wat dan er nog bij?
Een degen aan mijn zij,
Een sabel in mijn rechterhand,
Zoo strijden wij voor het vaderland!-
    En nog een eindje voort
    Tot aan de Eendjes poort,
Dan gane wij aan 't schieten, met hagel en met kruid
        Van voren uit de schuit,
        Van voren in de sloot,
En dan schieten we al de soldaatjes dood!
   Kroene kranen,
   Witte zwanen;
Wie wil meê naar Engeland varen?
  Engeland is gesloten,
De sleutels zijn gebroken;
   In Engeland,
Daar stuift het zand;
daar gaan de klokjes bingeldebang,
Bingeldebangdeboeze;
    Achter onzen hoeze
Daar staat een groote noteboom.
Zwanen, witte zwanen,
Wie wil er meê naar Engeland varen?
Engeland is gesloten,
De sleutel is gebroken.
Vette kapoen, wat doe je hier?
Ik bak mijn brood en brouw mijn bier.
Zeven paarden voor een wagen,
Had ik een stok, ik zou ze jagen,
Had ik een zweep ik zou ze slaan.
Dat ze den hoogen berg opgaan.
Hooge bergen, diepe kuilen,
Niemand kan den dood ontschuilen,
Als hij komt dan komt hij snel,
Wacht je voor de zonde wel.


[Baker- en Kinderrijmen pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.