Naatje ben je boven etc.

Baker- en Kinderrijmen

Naatje, Naatje, ben je boven
Ja, juffrouw, ik schud het bed.
Zie je dan wel naar de vlooien!
Ja, juffrouw, ik vang ze net.
Naatje, ik wil je wat beloven.
Goed Juffrouw!
Twaalf pond suiker
En zes flesschen wijn;
Dat doe je in een keteltje
En roert het met een lepeltje;
Wat zal dat lekker zijn!
Goed, juffrouw!
Hoeveel koffie heb je gemalen?
Een lood, Juffrouw;
De koffie neem ik mee naar binnen,
En het dik bewaar ik voor jou. -
Betje, ben je boven?
Ja, Juffrouw!
Breng het vuur eens in de stoven!
Moeder Melet, Moeder Melet
Eerst wat koffie en dan naar bed;
Eerst wat koffie en dan naar boven,
Dat wil moeder Melet wel loven.
Twee emmertjes water halen,
Twee emmertjes pompen,
Hoog op de klompen,
    Anne Marie,
    Zeg 't wie,
Buurman is verdronken.
Bom, bam beieren!
De klok die lust geen eieren.
Wat lust hij dan?
Spek in de pan,
Is dat geen lekkere bombam?
Bom, bam beieren!
De koster lust geen eieren.
Wat lust hij dan?
Spek in de pan,
O, wat een lekkere koster dan.
Variatie van de laatste regel:
Bom, bam beieren!
De koster lust geen eieren.
Wat lust hij dan?
Spek in de pan,
Dat de koster niet krijgen kan.
(Limburg)
Bom, bam, beiere,
De köster lös geen eiere,
  Wat lös he dan?
  Spek in de pan.
O, die lekker köster Jan!
Bom, bam beieren,
Ons poesje lust geen eieren;
Wat lust ons poesje dan?
Spek in de pan;
Daar wordt ons poesje vet van.
Rom, bom, bom,
Zoo slaat de trom.
Tamboer houd je stokken krom,
Tamboer houd je armen stijf,
't Is een sieraad aan je lijf.
Laat loopen den gek;
Hij lust geen spek,
Spek uit de pan,
Spek in de pan,
Wat lust die groote gek dan?
Bom, bam, beieren,
Klapperman, lust je wel koek,
Met jou verschoten apenrok,
En jou gelapte broek?
Bake-meui, al naar de moede,
Draagt een rok met groene koorde,
Feui, feki, Bake-meui,
Wat ben jou een sluuwe Trui!
Vader en moeder slaapt bij mekaâr,
Ze wouën me niet hebben;
Ze douwden me in de krebbe,
De krebbe, die was te maken;
Ze douwden me in een laken,
Het laken was te wasschen;
Ze gooiden me in de plassen,
De plassen waren al te diep;
Ze gooiden me in het lange riet,
Het lange riet was toe.
Toen gingen we naar de bonte koe;
De bonte koe woû schoppen.
Toen gingen we naar de poppen;
De poppen wouën slaan.
Toen gingen we naar de gladde baan;
De gladde baan was al te glad;
Toen vielen we op ons kermisgat. -
(Maarsen)
Klop, klop hamertje;
Wie is er op mijn kamertje?
Een klein meisje.
Wat heeft zij in d'r hand?
Een klein boekje.
Wat staat daar in te lezen?
Mijn vader en moeder slapen bij elkaar,
En ik slaap in mijn kribbetje.
Het kribbetje moest gemaakt;
Toen sliep ik in het laken.
Het laken moest gewasschen;
Toen sliep ik in de plassen.
De plassen waren diep;
Toen sliep ik in het riet.
Het riet dat was te scherp;
Toen sliep ik in de kerk.
De kerk was te lang;
Toen sliep ik bij de slang.
De slang die woû mij bijten;
Toen sliep ik bij de geiten.
De geit die wou me stooten,
Met alle vier zijn pooten.
    Ake bake, boonen kraken
    Had ik een mes, dan zou ik je raken;
    Had ik een zweep, dan zou ik je slaan;
      Meester, mag Pietje naar huis toe gaan?
      Neen, Pietje heeft kwaad gedaan.
Boven op den zolder, spelen ze holderdebolder;
    Boven op de vliering, bakt mijn moeder spiering;
Boven op het kerkhof, slaan ze Pietje zijn kop of.
    Heel of, half of, Pietje zijn kop of.
(Venlo)
Hake bake, noten kraken,
Had ik een wis dan zou ik ze raken,
Had ik een mes dan zou ik ze snijden.
Meester laat de school uitgaan;
Ik heb mijn plicht zoo wel gedaan,
Met lezen en met schrijven:
De meester begon te kijven.
Hoe langer dat de meester kijft,
Hoe langer dat de pen dan schrijft.
Meester, mag ik naar huis toe gaan:
't Is al twalef uren?
Moeder heeft de pap al gaar,
't Zal niet lang meer duren.

Meester mag de school uitgaan?
  't Is al ellef uren,
  't Kan niet langer duren,
Achter op het latje
Spelen ze billegatje,
Achter op het kerkhof,
Slaan ze Pietje zijn kopje of;
  Heel of, half of,
't Kopje van het halsje of.
Daar slaat de klok, de heilige bel,
Die ons van 't leeren verlossen zel;
Mijn geest getuigt om op te staan,
Mij om te keeren, en heen te gaan.
(Maarsen)
  A,b,c,d,e,f,g,
Meester de jongens brengen knikkers mee.
Drommelsche jongen, je mag niet klikken,
Anders krijg je zeven tikken,
Zeven tikken met de plak,
Hoor je, leelijke klikkenzak?
Zeven tikken met de tang.
Meester ik ben voor jou niet bang.
    Moeder, mag ik meêgaan?
    Kris van Leeuwen
    Leit te schreeuwen
    Uit het raam.
Neen, mijn kind, blijf jij maar thuis;
Anders komen de dieven in huis.
Vader en moeder mijn schrift is uit;
Verdien ik nu geen mooie duit?
Ik heb geschreven, zonder beven,
Zwarte letters op wit papier.
Vader en moeder mijn schrift is hier.
Daar stond een juffrouw in de deur,
Met een witte schorldoek veur;
Ze wou zoo graag eens dansen,
Om de rooie kransen;
Om een pannekoek is 't te doen,
Geef me der een, dan ga ik heen,
Geef me der twee, dan ga ik meê,
Geef me der drie, dan ga ik strijken;
En als ik het dan niet dragen kan,
Dan span ik een paard en wagen an,
Met vier dikke ossen,
Dan ga ik henen klossen.
Achter de kerk, daar leit een muis;
Is mijnheer de Wit niet thuis?
Mijnheer de Wit is uitgegaan;
Raadt eens wat hij tegenkwam?
Twee houten mannen,
Twee potten en pannen,
Twee kindertjes zonder ziel.
Waar is de ziel gebleven?
Achter in den hemel:
De hemel is verlaten,
Twee gouwen platen,
Twee gouwen beugels;
Zijn dat geen groote leugen?
Op den berg daar staat een huis
Is mijnheer Kaptein niet thuis?
Neen, mijnheer is water halen.
Raai, eens, wat hem tegenkwam?
Twee ijzeren mannen,
Twee potten en pannen,
Twee kindertjes zonder ziel,
De ziel is in de hemel,
En als de hemel open gaat
Dan gaat de hel weêr dicthe.
(Limburg)
Achter 't kasteel daar licht 'n blok
Is hij gestolen of ligt hij er nog?
            Ja, ja.
Raad eens, wie mij tegenkwam?
Twee ijzeren mannen,
Met potten en met pannen;
Twee kindertjes zonder ziel,
De ziel is in den hemel,
Zoo wit als 'n kemel,
Zoo wit als 'n bonte koe,
Zoo rijen we naar den hemel toe.
(Blitterswijk)
Achter de kerk daar stond een huis,
Is er geen heer of juffrouw thuis?
Neen, neen, zij is uitgegaan.
Raad eens wie haar tegen kwam?
Twiej hôltere mennekens
Mit pötjes en mit kennekes
Pief, paf, Poef.
(Canne bij Maastricht)
Achter het hoes dao lik ene blok,
Is er gestolen, or lik er dao nog?
Twie ingelkes zonder ziel,
De ziel waos in den hiemel
    Op ene gouwe kemel,
    Op ene gouwe ossekop,
    Vleiskop, olie in de lamp,
    Steeke, steeke, stamp.
(Canne bij Maastricht)
As ver bakken, bakker ver brood,
Als ver sterven, zün ver doed,
Woe weurden veer dan begraoven?
Achter oppe kerkhof.
Dao lik e blouw, blouw steintje;
As ver op dat steintje trêijen,
Trêijen ver in Maria chuutje.
Klein, klein, kinneke,
Wat heet dat kinneke in den hennek
Klein, klein beukske.
Wat steit dao in te lezen?
Van vader, van moeder,
Van zuster van broeder,
Van alle patriarken.
(Sittard)
Achter et gardinke
Schteit e pötje mit winke,
Ich weisch mich de hentjes,
Ich dreugde ze mich aaf;
Ich zat mich op eine knie,
Ich zat mich op alle bei.
Ich schtung mit eine op,
Ich stung mit allebei op.
Ich zag daag vader,
Ich zag daag mooder,
Ich zag daag söster,
Ich zag daag brouer,
Ich zag daag allemoale.
      Almanak,
      Leugenzak!
      Komt van Delft,
      Liegt de helft;
    Komt van Aalsmeer,
    Liegt nog veel meer;
  Komt van Dordt,
  Liegt dat hij zwart wordt;
   Komt van Zwartewaal,
   Liegt het altemaal.


[Baker- en Kinderrijmen pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.