Holle bolle Gijs e.a.

Baker- en Kinderrijmen

Juffrouw, wilje je jongetje verbieden?
Hij komt 's avonds aan mijn deur:
Klep, klep, klep: schel, lel, lel!
Dat je je jongetje verbieden zel.
Variatie
Tire lire let.
Tire lire let.
Musschen zijn geen vinken;
Mietje heeft de kan gebroken,
Waar zullen we nu uit drinken?
Heb je niet gehoord van dien hollebollewagen,
      Waar die bolle Gijs op zat?
          Hij kon schrokken
          Grootte brokken:
          Een koe en een kalf,
          Een heel paard en een half,
          Een os en een stier
          En zeven tonnen bier,
          En een schuit met schapen
En nog kon Gijs van den honger niet slapen.

De beide laatste regels ook anders:

Heb je niet gehoord van dien hollebollewagen,
      Waar die bolle Gijs op zat?
          Hij kon schrokken
          Grootte brokken:
          Een koe en een kalf,
          Een heel paard en een half,
          Een os en een stier
          En zeven tonnen bier,
          Een leeuw en een beer;
   Hap! zei Gijs en hij lustte nog meer.
Nog een variatie - JV
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,
Holle-wolle-wagen kwam mij tegen,
     Waar de groote Gijs op zat;
        Hij kon schrokken,
        Grootte brokken,
        'n koe en 'n kalf
        'n dood paard half,
Toen zag Gijs 'n levendig beer,
Hap! zei Gijs en 'k lust niet meer.
  A. B. bof!
  De meester is een mof,
Zijn vrouw is een moffin,
Ik heb een boekje, daar staat het in.
  A. B. bof!
  De meester is een mof,
  A. B. boonen,
Een klapje op je konen.
    A. B. bot!
  Meester is een vod;
    A. B. bankje,
Meester woont in 't gankje.
      A.B.C,
De meisjes drinken thee;
De jongetjes koopen brokken,
En de meisjes eten meê.
           A. B. C,
      Koffie en thee,
      Drie roode letters,
      Vier trompetters,
      Haring in de ton,
      Vleesch in den ketel,
Morgen zal je bruine boontjes eten.
A. B. Brechtje
Dat oude kromme ding,
Rijdt 's avonds op een varken
  De Koepoort in.
       Of, dof!
Snij mijn moeders neusje of;
Laat er nog een eindje an,
Dat mijn moeder snuiven kan.
(Groningen)
Jaep, Jaep, Jeude!
Wat hesttou in dien zak?
  Een maattien jenever
  En een proempien tabak.
(Sittard)
Köpken in moaneschien,
Wen alle lü al schloape zeen,
Kan dansen de boeren op klumpe.
Gekke Greit, zèt, hèt neit,
Wüllümke is verdrunke,
Est'em mit de hoare geschnaptt
Dan woar er neit verdrunke.
(Blitterswijk)
Ik zeug zo gèr no Kèvele goan,
Wen er mar gene grune wolf zaat,
Jao, joa, do zit er ene,
Nie der zit er gene.
Buiten in de biezen,
Daar leî een hondje dood;
Zijn staartje was bevroren,
Zijn billetjes waren bloot;
Toen kwam Lijsje Lonken,
Die zei: dat beest is dronken;
Toen kwam Lijsje Lollepot,
Die zei: dat beest is hallefzot;
Toen kwam Jan de Slager,
Die zei: dat beest is mager;
Toen kwam Tijs de timmerman,
Die lapte er weêr een staartje an.
Toen liep het hondje henen,
De staart al tusschen de beenen;
Toen ging het hondje dansen,
A la mode de France.
Daar was eens een boertje van Wensveen,
En een boertje van Hazerswou,
Het kalf is van de pip gesneden,
En daarom droeg hij rouw.
Lief boertje, en schreit niet;
Het kalf is dood, en 't zeît niet;
Het kalfje met zijn bonten rok
Leî 's morgens dood in 't hok
        Katje-poesje-nelle
        Zat op den Koepoortsweg.
        Zij wou haar hoofdje krauwen,
        D'r mutsje dat woei weg.
        Toen zocht ze in het riet,
        Daar was het mutsje niet.
        Toen zocht ze op 't land,
Toen had dit lieve meisje het mutsje in d'r hand.
Hansje knipperdolletje,
Die zat laatst aan den dijk;
Hij krabde daar zijn bolletje
Zijn mutsje viel in 't slijk.
Hansje, wilje je mutsje verkoopen?
Neen zus, malle zus!
Wie verkoopt er ooit zijn muts?
Variatie
Krullebolletje ging eens wandelen,
En hij nam er zijn zusje meê;
Hij kocht een pond amandelen,
    En deelde dat in twee.
Maar wat zal ik voor je koopen,
  Al voor een nieuwejaar?
  Een heel mooi poppetje
  Met lang en krullend haar.
(Gelderland)
Wie gaot met? Wie gaot met?
Wie gaot met nar Rommelskerken,
Waar de seuvetien boeren satten
Die de achttien skinken fratten?
Wie gaot met? Wie gaot met?
Wie gaot met nar Rommelskerken,
Jan mijnen man wou ruiter worden,
Jan mijnen man, en had geen paard;
Hij nam de kat al bij de staart,
Toen had Jan mijnen man een paard.
Jan man, rijd wat an,
Dat j' een ruiter, dat j' een ruiter
Jan man, rijd wat an,
Dat j' een ruiter worden kan.

Jan mijnen man wou ruiter worden,
Janneman had er geen degen;
Toen nam Jan mijnen man een koek,
Die stak Jan al door zijn broek,
Toen had Jan mijnen man een degen,
Jan man, rijd wat an,
Dat j' een ruiter, dat j' een ruiter
Jan man, rijd wat an,
Dat j' een ruiter worden kan.
In de glupert zat een haasje, dat sliep.
Och! mijn beestje, scheelt je wat?
Ben je ziek of flauw van smart?
         Haasje  -  piep!
Daar zat een aapje op een stokje,
Achter moeders keukendeur;
Hij had een gaatje in zijn rokje,
Daar stak het schelmpje zijn staartje deur.
    Jan oom
Zat op een boom
    Te wachten;
Toen brak de boom,
    Toen viel Jan oom,
    En al de koetjes
       Lachten.
Meester Pik
Zat op een rik,
Hij zou een vogeltje vangen,
Maar hij bleef op 't rikje hangen.
Hansje Pek zat op het hek;
Toen kwam zijn grootje,
Die gaf hem een broodje,
Toen kwam zijn zusje,
Die gaf hem een kusje;
Toen kwam een kindje,
Die gaf hem een lintje;
En toen kwam op 't lest de pastoor,
Die gaf hem een ferme klap op zijn oor.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>