Klompertje en zijn wijfje e.a.

Baker- en Kinderrijmen

Klompertje en zijn wijfje, die gingen eens vroeg opstaan,
Met boter en met eiertjes om naar de markt te gaan.
Ze waren halverwege, halverwege de dijk,
Toen braken alle de eiertjes en 't botertje viel in 't slijk.
Het speet 'er niet om de eiertjes, maar wel om 'er mooie doek,
Die ze gister pas gemaakt had, van Klompertjes beste broek.
Variatie (Groningen)

1

Heila, boer! De brei is zoer,
De slaif ligt in de aschke;
Als de boer nait beter oppast,
Dan komt hie in de kaste.

2

Woar is hier de moane?
De moane is hier niet,
De moane is doar niet,
De moane is achterwege.

3

Wie wil nou de bokse lappen,
  Zonder noad, zonder droad,
  Zonder knecht of kameroad?
  Is doe gorte goar?
(Sittard)

1

Ach moeder, de vänke zeen dood,
Sie vräete gei greumelke brood.
Es tê de vänke te vräete gegäve,
Da waare de vänke in 't läve gebleve.

2

Woveur kriescht du?
Umdat iek neit 'n lach.
Häet dich de wouf e schaöpke geschtaole?
Vas gein gebracht.
Is et över et bergske geloupe?
Vas neit er door.

3

Et rägent, et säegent,
De pannen wäre naat.
De mötske hanghe op te taak,
Die wäre oueh vas naat.
't Regent zeer, 't wordt mooi weer,
't Woater lôpt bi de pannen neêr.
  Hobberdobberdob,
  Soldaten trekken op,
  't Old wijf trekt meê
  Met de knip op zee,
  Met de hond in touw,
  Met de vogel in de kouw.
Is dat geen recht soldatenvrouw?
Dat gaat naar Batavia,
En dat gaat naar Oostinje.
Meisje, zet de koffie klaar,
Dan krijg je een kokinje.
Mijn man is tam-boer, en ik ben taboers' wijf,
En als mijn man de trommel slaat, dan klopt mij 't hart in 't lijf.
Rom, bom, bom, zoo slaat de trom,
Tamboer hoû je armpjes krom,
Tamboer hoû je stokken stijf,
Houdt ze sierlijk aan je lijf.
Hinkedepink zat op de klink,
Geef me een kan, dat ik nog wat drink;
Is er niet, zoo laat wat halen,
Jantje van Spanje, die zalt 't betalen;
Jantje van Spanje, die zwarte man,
Sloeg al tegen den tuinstok an,
En de tuin, die kraakte,
Dat de man ontwaakte,
Dat de vrouw de trommel sloeg,
kat het vaandel droeg.
(Zaanstreek)
Jan Kiekel en Jan Kakel
Die gingen samen uit;
Jan Kiekel viel in 't water,
Jan Kakel haalde 'm er uit.
Toen kwam Jan Smal,
Die leî hem op de wal.
Toen kwam Jan Braat,
Die leî hem op de straat.
Toen kwam Jan Tempel,
Die leî hem op den drempel.
Toen kwam Jan de Boer,
Die leî hem op de vloer.
Toen kwam Jan Vet,
Die leî hem op het bed.
Toen kwam Jan Bankje,
Die leî hem op t bedsplankje.
(Maastricht)

1

Rij al oet, wagen, wagen,
Rij al oet, wagen;
Hé 't is mer race de pou.
Hé 't is mer kakkedoe
            Joe!

2

Veer hebben den haon geslagen,
Trê lé, lé, lé, lé,
Trê lé, lé, lé, lé;
En dee, dee, da neet met en deit,
Dat dee dan mêr nao hoas toe geit
Veer hebben den haon geslagen,
          Trê lé, lé

3

Veer hebben de mode,
Trê lé, lé, lé, lé,
Trê lé, lé, lé, lé,
Wat zouden veer met de mode doen,
Veer hebben gei geld um met te doen;
En dee, dee dan neet met en deit,
Dat dee dan mêr nao bed tou geit.
Veer hebben de mode gevonden,
          Trê lé, lé
Heb je niet gezien Jan Jansen met zijn Paard?
  Heb je niet gezien dat blesje?
  't Is zoo mager, geeft hem haver,
  Rijdt er meê naar 't smidsje.
Hansje van Tiggelen en Pietje van Zwol,
Dat schelmpje, dat viezertje, dat at zijn buikje vol.
Als de kalkman was gekomen,
Was hij op zijn poepertje wit;
Als hij voer naar Gent om kolen,
Was hij zwarter dan de smid.
     Van turelure letje,
   De boer die liet een wind;
   Hij ving hem in een netje,
   En hij bracht hem aan zijn vrind.
"Wel, tureluur, tureluur, tingeling,
Wat breng je me daar een stinkend ding!"
  Klein, klein keuteltje,
  Hij leî het op een scheuteltje;
  Hij bracht het naar mijnheer zijn disch,
  En zeî: "mijnheer, 't is stokvisch."
  Mijnheer, die stak het in zijn mond,
En zei: "wel, ouwe, ouwe schelm! 't is paardestr....
Altijd is Kortjakje ziek,
Midden in de week, maar Zondags niet.
Zondags gaat ze naar de kerk,
Met een boek met zilverwerk.
Variatie
Annemarie van de Visschersdijk
Die draagt fluweelen mouwen.
Zondags staat ze op de stoep,
Met een bordje kersen gesnoept,
Met een bordje rijstenbrij,
En een gouden lepel daarbij.
Ik wou, dat ik was een boterblom,
Die op de velden stond;
En slikten me dan de koetjes op,
Dan zat ik in 'er buik;
En poepten me dan de koetjes uit,
Dan was ik weêr een spruit.
Mooie meisjes, mooie blommen,
Kon ik ze allemaal bekommen!
Een mooi meisje vrij ik mee,
Een mooi meisje over zee.
Kon ik alle zoetheid krijgen,
'k Zou ze aan een touwtje rijgen,
'k Zou ze suikeren in een vat,
Dan had ik alle jaren lieve meisjes zat
Die gaperig is en slaperig is,
Wat doet die bij de bruid?
En kan er niet een zoentje of,
Dan is de vriendschap uit.
Holder de bolder, de kat op de zolder,
     De hond in de kelder,
     Dat lijkt me niet helder.
      Eerst een raap,
      Dan een schaap,
      Dan een koe,
Zoo gaat het naar de galge toe.
    Ik ben zoo riek,
    Als de keizer oppe diek.
    Die had een koe,
Daar hoorde 'm niks van toe.
       'k Heb geen cent,
       'k Heb geen cent,
Maar 'k ben vroolijk tot mijn end.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>