raadselrijmen

Baker- en Kinderrijmen

1

Groen zijn de muren,
  Wit zijn de geburen,
  Zwart zijn de papen,
Die in de kapellekens slapen.

2

Vijf harten, vijf starten,
   En en prik in 't gat;
   Râ, râ, wat is dat?

3

Hoog geklommen, laag gedaald,
Opengekloven, 't hart uitgehaald.

4

  Als ik was jong en schoon,
  Droeg ik een blauwe kroon;
Als ik was oud en stijf,
Sloegen ze me op het lijf;
Als is was genoeg geslagen,
Werd ik van prinsen en graven gedragen.

5

Iete patiete in de hagen,
Iete patiete uit de hagen,
Als je iete patiete pakt,
  Iete patiete bijt.

6

Daar ging een meisje over het land,
Zij had een korfje al in haar hand;
Daar was in van gladderdeglad;
Daar was in van strijkerdestrijk;
Daar was in van kijkerdekijk;
Daar was in van krolderdekrol:
Je zult het niet raden, al werd je dol.

7

Daar liep een dingetje over den dijk,
Zijn oogjes gingen kijkerdekijk,
Zijn beentjes gingen klapperdeklap,
       Ra, ra, wat is dat?

8

Daar loopt een beestje over den dijk,
Met zijn oogjes kijkerdekijk,
Met zijn haartjes krullerdekrul,
Je zoudt het niet raden al werd je dul.

9

Ikkerdebik zat op de wagen,
Ikkerdebik zat hout te zagen,
Ikkerdebik viel in de sloot,
Ikkerdebik was nog niet dood.

10

Ekkie-rekkie zat op 't hekkie,
Ekkie-rekkie brak haar nekkie,
En daar is geen timmerman,
Die Ekkie-rekkie weer maken kan.

11

Witje, watje zat op 't hek,
Witje, watje brak zijn nek;
Daar is geen eene timmerman,
Die witje, watje maken kan.

12

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen.
Hummeltje Tummeltje viel van den wagen;
Daar is geen eene timmerman,
Die Hummeltje Tummeltje maken kan.

13

Keizer Karel had een hond,
Ik leg het woord al in je mond:
Hoe heet Keizer Karels hond?

14

Kook, die koud is,
En drie dagen oud is,
Hoe heet men die?

15

Aal, is een zwaar maal;
Ik draag liever steenen,
Dan dat ik ze eet.

16

Mejuffrouw eenoog, rond en net,
Vindt zich te midden van het bed,
En ook aan 't einde van de zee;
Hoe heet die juffrouw? - Letter e

17

In Holland kom ik nooit,
In Lapland al zoo weinig;
Maar wel in Nederland,
Daar ben ik altijd veilig,
En die er wel op let,
Die vindt mij moedernaakt
Al midden in het bed.

18

Oude, grijze, grauwe,
Staat alle nachten in de dauwe,
Heeft vleesch noch bloed,
En is voor alle menschen goed.

19

Meleke, meruleke,
Zat op een koper stuleke,
Hoe langer dat ze staat,
Hoe meer dat ze vergaat.

20

Daar staat een boom in 't Westen
Met twee en vijftig nesten,
Ieder nest met zeven jongen,
Râ, wat namen zij ontvongen.

21

Er waren vier oude wijven,
Die konden malkander niet krijgen;
Ze liepen alle vier even rad;
Râ, râ, wat is dat?

22

Achter in mijn vaders tuin,
Daar staat een boom met groente;
Hier een boom, daar een boom,
  Ieder boom een tak;
Hier een tak, daar een tak,
  Ieder tak een nest;
Ieder nest een ei;
Hier een ei, daar een ei,
Ieder ei een zwart plek op 't gat;
  Râ, râ, wat is dat?

23

Achter in mijn vaders tuin,
Daar staat een boom met kralen,
En die die kralen tellen kan,
Dat is de baas van allen.

24

Achter in ons tuin
Daar staat een mutsje bruin;
Als de klok begint te kleppen,
Dan begint dat mutsje te wippen.

25

Achter in mijn buurmans tuin,
Daar ligt een groote, dikke ruin,
Zonder kop en zonder steert,
Met de ribben naar buiten gekeerd.

26

Wikker-de-wakker
Vloog over mijn akker,
En al waren er ook zeven landsheeren,
Die zouden Wikker-de-wakker van mijn akker niet keeren.

27

Ik heb van hooren zeggen,
Dat drie op mekaar kunnen leggen;
Ik heb van hooren en zien,
Dat die drie kunnen worden ien.

28

Een houten huisje,
Een koperen kluisje,
Een ijzeren draaiom in 't gat,
  Râ, râ, wat is dat?

29

Daags in 't een gouden knoop,
's Nachts is 't een molshoop;
  Râ, râ, wat is dat?

30

Visch en worm
Jij uit der aarde, wat doe je hier?
"Een man van boven zendt me hier".
Als ik je dan bijt, wat zal je dan zeggen?
"De man van boven zal je in zijn bennetje leggen".

31

Op den dijk daar staan twee palen,
Op die palen staat een ton,
Op die ton, daar staat een knikker,
Op die knikker is een bosch,
Daar loopen alle hazen en konijnen los.

32

Daar was een vogel vleugelloos,
Hoog op den boom was bladerloos,
En toen kwam juffrouw vlindeloos,
Die nam den vogel vleugelloos,
Al van den boom was bladerloos.

33

(Zaanstreek)
Juffrouw de Lange,
Wat doe je in mijn gangen?
Juffrouw Katoen
Wat heb je hier te doen?

34

Daar ging een mannetje over den brug,
Met zeven katten op zijn rug,
En ieder kat had zeven jongen;
Râ, râ, hoeveel pooten er over de brug gongen?

35

Ik ken een man hier in het land,
Die is zoo kloek van verstand;
Hij kan niet leezen,
Hij kanniet schrijven,
Hij kan niet zien als 't klaar is,
En deze man is secretaris.

36

        Daar staat een man in 't hout,
        Die spreekt zoo bout,
En daar is niemand, die zich een woord verstout.

37

      In Holland verkeer ik,
      In Friesland regeer ik,
  Met een rokje brageer ik,
      Als zijde zoo zacht,
En in mijn woning is 't altijd nacht.

38

Juffrouw Tuit is altijd uit,
Juffrouw Tin is altijd in,
En juffrouw Fleur,
Die vliegt het heele huis deur.

39

Kleine Rintje
Zat in 't spindje
Maakt een netje
Over het vetje.
Zonder naad en zonder draad;
Is dat geen mooie kameraad?

40

Tweebeen zat op driebeen;
Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten;
Toen nam tweebeen driebeen,
Om er vierbeen meê te smijten.

41

         Holderdebolder
         Ging over de zolder,
         En zeven mansheeren,
Die konden Holderdebolder niet keeren.

42

Eerst zoo wit als vlas,
Dan zoo groen als gras,
Dan zoo rood als bloed,
Dan zoo zwart als roet.

43

Daar staat een juffrouw in de deur,
Met een witte schorldoek veur;
    Hoe meer dat ze staat,
    Hoe meer dat ze vergaat.

44

Een man, die daags een daalder won,
Verteerde daags een ducaton,
En toch kon hij bestaan.

45

Van boven plat en van onder plat,
En 't staat op halfweg achten.

46

Een holle moêr en een kromme vaâr
Hadden drie kinders met elkaâr.

47

Ik keek naar buiten, en 't leek me wonder:
De billen bloot en de kop naar onder.

48

't Is in de vrouw en niet in de man,
't Is in de kroes en niet in de kan,
't Is in 't varken en niet in 't spek,
Je zult het niet raden, al dacht je je gek.

49

Ik ken een vreemde en wonder dier;
Zijn oogjes komen ver van hier;
Het kauwt op gras, en heeft geen tanden;
Een buik, en toch geen ingewanden.
Al gaapt zijn bek, het heeft geen roeper;
Al wipt zijn staart, het heeft geen poeper;
En, wat men nog het minst verwacht,
Een boertje heeft het groot gebracht.


Nog meer (maar soms de zelfde) raadsels in het Costerhuis <p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>