De koningsdochter

Baker- en Kinderrijmen

1

(Zaanstreek)
Wie zit er in 's konings huisje?
's Konings dochtertje.
Hoeveel kinderen heb je?
Zeven.
Mag ik er een van hebben?
Neen zoo, zeker niet.
Dan zal ik er een van stelen,
Dan zal ik 's schouten diender halen,
's Schouten diender kop afslaan,
Dit kind zal meegaan.

2

(Venloo) (Een meisje lig op haar knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom van haar omgeslagen kleedje vast, behalve één, die tot het geknielde meisje vragen richt).
Vr:  Wie zit er in den hoogen toren?
A:   De schoonste koningsdochter.
Vr:  Van wie zijn al die kindertjes?
A:   Van mij.
Vr:  Mag ik eer een van nemen?
A:   Neen!
Vr:  Mag ik er een van stelen?
A:   Neen!

De vraagster zegt dan:

'k Zal eens naar den diender gaan,
De diender zal U den kop afslaan.
       Entrez, entrez.
Laat 't meisje maar achter meê gaan.

Alle volgende meisjes herhalen op haar beurt hetzelfde, tot dat zij allen, elkaar bij het kleedje vasthoudende, achter de vraagster geplaatst zijn.

Deze vraagt dan aan de koningsdochter:

Vr:  Zal ik het lampje aansteken?
A:   Ja!
Vr:  Zal ik u uit den toren laten?
A:   Ja!

Waarop allen roepen:

Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!

3

(Noorden van Limburg)
Wie woont hier onder den toren?
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.
De schoonste maagd van hierboven.
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.
Zou ik die schoone maagd, niet eens mogen aanschouwen?
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.
De steenen muren zijn te hoog gebouwen.
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.
Zou ik dan geen twee steenen mogen trekken?
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.
Twee steenen is te veel.
Maar eenen zou niet letten.
     Ting, tang, tillerom,
     Rose, rose, feliom.

4

Schoone juffrouw Horen!
Wie zit daar in den toren?
Wie hooren al die kindertjes toe?
  Mijn!
Mag ik eer een van nemen?
  Neen!
Zal ik er een van stelen?
  Neen!
Ik zal naar schoutendiender gaan,
Schoutendiender de kop afslaan;
Dit kind zal meêgaan.

5

(Blitterswijk)
Wie zit er binnen?
Jufvrouw Klaar met de bonte haar.
Hoeveel kinderen hedde?
Zooveel als om mij heen staan.
Mag ik er een van nemen?  Neen!
Dan steel ik er een.
Dat meugde niej.
E potje water, umstoate.
Dat zalk ins um dat muurke goan,
Dan zalk den kater de kop afsloan.
En die mammezel zal mit me goan.
Moeder, meug ken botteram? Ja!
Wo lit ze?
Ien de kelder, stok 't lempken a
O Wieje! Do zit ene lellike kee in de kelder.

6

Men vraagt zingende
Wie zit in den gouden ketel?
Die zit antwoord
's Konings dochter,
Mijn hartje is gevlochten;
Ga driemaal om den kring.
die loopt vraagt
Vrouw hoeveel kinderen hebt ge?
Mag ik er een van nemen?
Mag ik er een van stelen?
die zit
Ik zal den schout en diender halen,
die loopt
Schout en diender de kop afhakken
Met ... dat ... kind ... zal ... ik ... henen ... gaan.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>