Krijgertje

Baker- en Kinderrijmen

1

(Groningen)
Maarte, wat doe je daar?
      Vuurtje blazen.
  Waarvoor dat vuurtje?
Om mijn water te koken.
  Waarom dat water?
Om mijn mesje te slijpen.
  Waarom dat mesje?
Om alle kindertjes den kop af te snijden.

(Waarna 't dan op een loopen gezet wordt.)

2

  Vrouw, vrouw Hanekuik!
  Hoe is het met je man?
Mijn man, die zit in 't hoenderhok,
Hij snijdt de kippen de koppen of.

3

(Een meisje ziet en maakt de beweging van naaien; de andere kinderen komen, en een hunner vraagt:)
Vrouw, wat naai je?
Mijn man zijn onderbroek.
Waar is je man?       In 't kippenhok.
Wat doet hij?         Kippen voeren.
Mag ik den sleutel?   Neen.
Mag ik den sleutel?   Ja;
Maar daar is een haan met een zieke poot,
Als j'em jaagt, dan gaat hij dood.
Vrouw, vrouw, de klokke luidt,
Wie is er dood? -
Hane met de zeere poot. -

4

Moeders, wat naait ge?
Vaders hemd.
Waar is je vader?
In den tuin.
Mag ik er even heen gaan?
Neen! want er is een haan met éénen poot,
Als je 'm jaagt, dan is hij dood. -
Moeder! de klokken luien,
Wat is 't te beduien?
De haan is dood
Met éénen poot.

(Moeder vangt er een, die nu moet gaan zitten.)

5

             Klop, klop!
             Wie is daar?
             Er uit, leelijke tooverheks.
             Ik ben niet t'huis
Ik heb je schouw (of schoorsteen) zien rooken.

(De heks komt dan voor den dag, en zoekt een van de kinderen te vangen, dat nu in haar plaats komt.)

6

              Wie klopt daar?
        Anneken, Tanneken, Tooverheks.
              Wat wou je hebben?
              Een stukje vuur.
              Dat heb ik niet.
        Ik heb je schoorsteen zien rooken.
              Dat was bij de buurvrouw.
              Dat jok je.
        Mag ik dan naar binnen komen?
              Neen!
        Met mijn gouden schoenen?
              Neen!
        Met mijn groote laarzen?
              Neen!
        Met mijn houten klompen?
              Neen!
        Met mijn glazen muiltjes?
              Ja!
        Wat heb je daar mooie kindertjes!
        Wil je er een van hebben?
              Ja!
        Wat zul je ze te eten geven?
        Al wat ze maar lusten.
        Waar zul je ze te slapen leggen? -
Op kussentjes van veêren en beddetjes van dons. -
               Rotten en muizen.

(Daarop vangt het nazetten aan.)

7

(Groningen)
Spoukien, spoukien, Hillebrandt,
Kom van boven en lang mi de hand.

Waarop spoukien te voorschijn komt, en de anderen nazet.

8

Een kind, dat voor de "mol" speelt, gaat weg, de anderen geven elkaâr de hand en beginnen te zingen:
          Mol, mol, waar is de mol?
               Naar Amsterdam.
             Wat doet hij daar?
             Hij kamt zijn haar.
          Laat hem van avond thuis komen,
          Dan zal hij wat hooren:
          De bedestok om zijn ooren.

De mol komt dan voor den dag, en de kinderen gaan op de hurken zitten; weet hij er een te raken voor ze zitten, dan moet hem dit, als mol, vervangen.

9

Pieperdemuis, waar zit je?
Al in mijn huis.
Wat heb je mij ontstolen?
Een pondje boter.
Wat meer?
Een gouden scheer.
Wat minder?
Een gouden vlinder.
Piep 'reis, dat ik het hoor.

10

Herder, laat je schaapjes gaan.
Ik durf niet.
Waarom niet?
Van den ruigen wolf niet.

De ruige wolf is gevangen
Tusschen twee ijzeren tangen,
Tusschen zon en maan,
Herder, laatje schaapjes gaan.

Een van de kinderen speelt voor herder, een ander voor wolf, de overigen zijn de schapen. De wolf zit verscholen, maar springt plotseling te voorschijn en grijpt een van de schapen.

11

Schaapherder, schaapherder, jaag deur je schapen.
      'k Durf niet.
      Waarom niet?
      Om dien dikken ruigen wolf niet.
      Die dikke ruige wolf ziet in banden,
      Tusschen twee knijptangen,
      Tusschen zon en maan;
      Laat al je schapen vergaan.

12

Soldaatje, soldaatje, kom uit den hoek!
      Ik durf niet.
      Waarom niet?
      Mijnheer van Bloem.
      Wat heeft die gedaan?
      In mijn voetje gebeten.
      Wat staat daar achter?
      Een boer met een pachter.
      Wat heeft hij in zijn hand?
         Een kaaskant.

13

Kom over! -
Ik durf' niet.
Waarom niet? -
Om den gouden koning.
De gouden koning is gevangen.
Met twee zilveren tangen.

14

                  Hansje, mijn knecht!
                  Wat blief je, mijnheer?
                  Haal me der eens uit;
                  Haal me der eens uit;
Haal me der den gouden ring (den zilveren sleutel, enz.) eens uit.

Alles in den persoon van een der meêspelende kinderen, die zich vooraf in stilte, een van die voorwerpen tot naam gekozen hebben. Weet de knecht het kind niet te vinden, dan wordt hij weggejaagd, en anders door den vertegenwoordiger van 't aangewezen voorwerp vervangen.

15

De kinderen in een kring, zeggen tot Pieternelle, die daar binnen staat, terwijl één kind er buiten is.
Pieternelle! waar woon je?
Hier binnen.
Wat ken je?
Haspelen en spinnen.
Wat heb je gister gedaan?
Een boterham gegeten en slapen gegaan.
Wat heb je eergister gedaan?
       Dat scheelt je niet.

Daarna loopt Pieternelle, onder de armen van de kinderen door, op 't andere kind af; dit eveneens naar binnen, tot Pieternelle het krijgt.

16

Vrouwtje, verkoop je nog tin?
Loop maar achter in;
Waar is Jan?
Achteran.
Mag ik hem eens krijgen?
Mag ik hem een spreken?
Als je heel hard loopen kan.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>