Spring- en dansrijmen

Baker- en Kinderrijmen

1

Kloentje, kloentje garen,
Een meisje van zestien jaren,
      Keer omme, keer omme;
Mooi Jantje keer je eens omme.
Mooi Jantje heeft zich al omgekeerd,
Dat heeft hij van dat meisje geleerd;
      Keer omme, keer omme,
Mooi Mietje keer je eens omme, enz.

2

(Maarsen)
Kluwetje, kluwetje garen,
Een meisje van zeven jaren;
Keer ommes, keer ommes,
Meisje keer je reis ommens.
't Meisje heeft 'r ommes gekeerd,
Van wie heeft meisje dat geleerd?
   Van Trijntje, o, Trijntje!
   Van fibele, fibele fijntje!
   Zoo oud als zeven jaren.
   Zeven jaren is ommes,
   Trijntje keer je 's ommes.

   Van wie enz.

3

(Swalmen)
   Som keeren, som keeren,
Wij keeren den ganschen dag.
Wie zal onze keerman zijn?
      Dat zal zijn,
      Rosemarijn,
Dat zal N. (naam van een kind) zijn.
N. heeft zich omgekeerd,
Dat heeft hem zijn vader en zijn moeder geleerd.
  Som keeren, som keeren,
Wij keeren den ganschen dag.
  enz. enz.

4

'k Heb een rood, rood spiegeltje gevonden,
'k Heb het op mijn hartje gebonden,
Keer omme, keer omme,
Mooi meisje keer je eens omme
Mooi meisje heeft zich omgekeerd,
Dat heeft ze van haar broertje geleerd.
Keer omme, keer omme,
Mooi meisje keer je eens omme

5

Kaatje-moei heeft haar hondje verloren;
Wie zal dat bezorgen?
Dat zal Jantje Japiks doen.
Ik wensch haar goeien morgen,
Morgen zal zij vroeg opstaan,
De traantjes over de wangetjes gaan.
Keer omme, keer omme;
Schoon dochtertje keer je eens omme;
Dat heeft zij van haar vrijer geleerd
Vrijer en vrijster, trala, lijster, tralalom,
Vrijer en vrijster keeren zich om, en nog ereis in 't rondom.

6

Krispijntje, begijntje, hoe spin jij je vlas zoo fijntjes,
En alzoo fijn als eenen draad?
En daarom spinnen we zeven jaar, zeven jaar, zeven jaar alomme,
Krispijntje keer je eens omme.
Krispijntje heeft zich al ommegekeerd,
Dat heeft ze al van mij geleerad.
Krispijntje, begijntje, hoe spin jij je vlas zoo fijntjes,
enz. enz.

7

            Kloentje, kloentje garen,
              Morgen zeven jaren,
              Zeven jaren alomme,
              Boter in de tonne,
              Vleesch in de ketel,
            Morgen zullen we sopjes eten. -
Hatiesje, hatiesje, hatiesje (alsof men niesde).

8

      Tuin, tuin, harde tuin,
      Wie zal ons helpen tuinen?
Dat zal onze Pieter (Jan, Klaas, enz.) doen,
      Die zal ons helpen tuinen.

9

    Los, los, harde los,
Wie zal ons helpen lossen?
Dat zal onze Hannes (Klaas, enz.) doen,
    Die zal ons helpen lossen.

9

We dansen een dansje al onder ons drieën,
Wie zal daar de vierde van zijn?
Dat zal zijn Rosemarijn,
Dat zal onze Mietje (Naatje, Kaatje, enz.) zijn.
Zij moet meê, zij moet meê,
Zij moet meê van de tris op de treê,
Dansen van Jan Sandersee;
En al is ze wat scheef, en al is ze wat krom,
Al evenwel is ze wellekom.
(Driemaal buigende) Wellekom, Jan Sandersee!

10

Trip, man trê,
Wie gaat er meê
Naar 't hoekje van de schanse?
Oedele, doedele, danse.
Ik sprak juffrouw Jaantje an,
Zie haar rokje draaien,
Zie haar rokje zwaaien,
Dat doet zij om haar leven man,
Die zij van avond hebben zal;
Strikjes op de mouwen,
Gouden bellen trouwen;
Het eerste jaar een abrikoos,
Het tweede jaar een zilvren doos,
Het derde jaar een kind of twee,
Dat doet mij geen wonder.
Jaantje springt over het vonder,
Jaantje trekt een krulbroek aan,
Is dat geen groot wonder?
Kom an, kom an,
Laat zien, wat man ze hebben zal.

11

     An Jan Jansen,
     Dirk Dansen,
  Dirk Hossenklos,
Meisje, loopt er eens overdwos;
Ziet, zoo gaat ze wijken,
Ziet, zoo gaat ze strijken;
Strikjes op haar mouwen,
Een ring al om te trouwen;
Dat meisje wil ik houwen.

12

(Blitterswijk)
Endje dentje doerlen dijntje,
Eindje van der Zante,
Doerle doerlen dante.
Ik sprak mejuffrouw N.
Zie dor gaat ze strijden,
Zie dor gaat ze weiden;
Dat doet zij om haar lieven man,
Dien zij t' avond hebben zal.
Strikskes over de mouwen,
Goude bellen trouwen,
Uit lief, uit lief.
Een klein kind in de wieg,
Een klein kind op 't kerkhof,
Daar is alle jaren eens het lof.
Wit krut, zwart krut,
Das alle jaren een brut.
Alweêr 'n jong dochtertje bij de hand.
Van heisa, heisa,
En dat zal zijn, die rozemarijn,
En dat zal N. zijn.

13

(Blitterswijk)
Akeleie, zilvre schreie,
Golde messe, zilvre tesse,
Hoog in de locht, liêg in de baan,
Da kump akeleie aan.

14

Daar stond een korfje op de kist,
Ik zou zoo graag eens weten, wat daarin is?
Rozetjes heb ik er in gedaan;
Licht op je voetje,
laat zien je schoetje,
Naar voren gaan.

15

Wie gaat er meê naar de schermschool toe,
Om te leeren schermen?
Meester Schermer was niet thuis,
Om te leeren schermen.
Stoot maar toe, stoot maar toe met jou verroesten degen,
Driemaal om, en driemaal om,
En driemaal drie is negen.
Of:
Ik kwam laatst in een schermschool,
Schermen moest ik leeren.
Schermmeester was niet thuis,
Toen moest ik exerceeren.
Stoot maar toe, stoot maar toe met jou verroesten degen,
Heb je me niet, dan krijg je me niet,
Daar is niet aan gelegen.

16

(Een meisje loopt als een oud vrouwtje de rij langs)
Daar komt een vrouwtje aangeloopen.
Wie gaat er met mij een broodje koopen?
Die met mij naar de markt wil gaan,
Die volgt het oudje achteraan.

              (De kinderen)
Ach vrouwtje, neen! gij kunt niet koopen,
Je geld is uit je zak geloopen.
Dag vrouwtje, blijf maar staan,
Wij willen weêr naar huis toe gaan.

17

Tusschen Keulen en Parijs,
Leit de weg naar Rome,
Al wie met ons meê wil gaan,
Die moet onze manieren verstaan:
Zoo zijn onze manieren.

18

Laat ons dansen in den kring,
In den kring van Pieter
Pieter is zoo lief en zoet,
Laat ons doen als Pieter doet.
zoo doet Pieter.

19

Op de markt huppelepup,
Daar wonen zeven heeren.
Al die heeren vragen aan mij,
Hoe dat onze manieren zijn.
Zóó zijn onze manieren.
Zóó zijn onze manieren.

20

Schoenlappertje zou uit lappen gaan,
's Avonds al in de lichte maan;
Zoo stak hij er zijn naaldetje,
Zoo trok hij er zijn dradetje,
Zoo sloeg hij er de pen, de pen;
Denk je dat ik niet lappen en ken?

21

Schoenlappertje vetleer,
't Vet loopt bij je kinnetje neêr;
Lap ze maar, lap ze maar, lap ze maar net,
Dat ik ze aan mijn voetjes trek.
Zoo steekt hij er zijn naaldetje,
Zoo trekt hij er zijn dradetje,
Zoo slaat hij er de pen, de pen;
Denk je dat ik niet lappen en ken?

22

(Allen staan hand aan hand en zingen)
      Groene granen,
      Spitse spanen,
Wie gaat er mee naar Engeland toe?
      Engeland is gesloten,
      De sleutel is gebroken.
      In Engeland
      Daar stuift het zand,
Daar luiden de klokjes: boe!
(Allen gaan vlug op de hurken zitten.)

23

Rooie, rooie, rondedans,
Wij maken eenen bonten krans;
Wij springen vroolijk in het rond,
En buigen ons tot op den grond.

24

  Roze- roze-meie
  Twintig in de reie,
Dertig in de rozekrans,
Veertig in de poppedans:
Al de juffertjes - tie.

25

(Drente)
Lange, lange, riege,
Twintig in 'n stiege,
Dartig in den ummeganck,
Vertig is de riegel lang.

26

(Bitterswijk)
Blauw, blauw blümke ien den hoed,
Hebben wij geen geld, dan zijn wij zoet.
Deze rozekranse:
De juffrouw die moet danse,
De juffrouw die moet stelstoan,
De juffrouw die moet knielen gaon,
Kiest er mar en ut.

28

(Venloo)
Rozebloemen op mijn hoed!
Had ik geld dan had ik het goed,
Rozen op mijn hoedje!
Kies wie gij wilt,
De schoonste uit het kringetje;
Daar, schoone juffrouw!
En zoo geef ik u den trouw.
Ga nu van elkander scheiden,
Met een kusje tusschen beide;
Zoo verlaat ik jou,
Schoone juffrouw.

29

(In een kring staande)
Ik heb een bloem al in mijn hand,
Aan wie zal ik haar geven?
Aan een mooi meisje, dat naast mij staat,
zal ik haar presenteeren.
Ziedaar, schoone juffrouw,
Ik geef er de hand aan jou.

20

(Blitterswijk)
Ik heb eene meiboom in de hand,
Aan wie zal ik hem geven?
Aan mejuffrouw weinig land,
En weinig land er neven.

31

't Is hier al zoo nat en glad onder mijne voeten,
'k Heb verloren mijn uitverkoren, waar moet ik ze zoeken?
Onder deze hesse besse, mooie meisjes samen.
Mooi meisje met je blauwe rok, mag ik met u gane?
Neen, neen, jij bent het niet; ja, ja, jij bent het wel.
Keer je eens om, ik meen je wel.

32

't Is zoo nat en 't is zoo glad onder mijne voeten,
Ik wou, dat ik koeragië had, ik zou eens kiezen moeten,
Al de andere jonkmans tevens, de meisjes zijn zoo stout;
        Blauwe Marei en witte Katrijn,
        De meisjes willen gezoend zijn.
        Zoent ze dan drie keeren,
        Dan kan je wat van me leeren;
        En als je dat dan hebt gedaan,
        Dan kan je weêr naar een ander gaan.

33

Daar ging een patertje langs de kant,
Hei, 't was in de Mei,
Hij vatte zijn zoete lief bij de hand,
Hei, 't was in de Mei zoo blij,
Hei, 't was in de Mei!

Kom Pater, gij moet knielen gaan,
Hei, 't is in de Mei,
En nonnetje gij moet blijven staan,
Hei, 't is in de Mei zoo blij,
Hei, 't is in de Mei!

Kom Pater, spreid uw zwarte kap,
Hei, 't is in de Mei,
Daar uw heilige non op stap,
Hei, 't is in de Mei zoo blij,
Hei, 't is in de Mei!

Kom Pater, geef uw non een zoen,
Hei, 't is in de Mei!
Dat mag je nog wel zesmaal doen,
Zesmaal, zesmaal, zesmaal doen,
Hei 't is in de Mei.
Dit couplet wordt in den regel gezongen met het volgende toevoegsel:
Zesmaal doen en zesmaal is geen zeven,
Mooi meisje kan er wel tegen;
Zeven is geen acht,
O, wat zoenen die meisjes zacht,
O, wat zoenen die meisjes zacht.
Anders:
Daar ging een patertje langs den kant,
Hei 't was in de Mei,
Hij nam er zijn nonnetje bij de hand,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

Kom, pater geef je non een zoen,
Hei 't was in de Mei,
Dat mag je nog wel zes maal doen,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

De pater spreidt zijn zwarte kap,
Hei 't was in de Mei,
Al waar hij met zijn non op zat,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

En pater beur je non weêr op,
Hei 't was in de Mei,
En dans er meê, gelijk een pop,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

Kom, pater, jij moet scheiden gaan,
Hei 't was in de Mei,
En laten je non alleenig staan,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

Nonnetje, jij moet kiezen gaan,
Hei 't was in de Mei,
En de andere nonnetjes laten staan,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,
Wanneer dan het nonnetje een pater gekozen heeft, en daarmeê dezelfde vertooning gemaakt is, luidt het:
Nonnetje, jij moet scheiden gaan,
Hei 't was in de Mei,
En laten den pater alleenig staan,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

Ziet zoo'n lompert daar eens staan,
Hei 't was in de Mei,
Hij durft niet eens een meisje aan,
Hei 't was in de Mei zoo blij,
Hei 't was in de Mei,

34

In Holland staat een huis
In een lindelaan,
Van ja-hop-sa-sa
In Holland staat een huis.

Wie woont daar in dat huis,
In die lindelaan,
Van ja-hop-sa-sa,
Wie woont daar in dat huis?

Daar woont een rijke heer,
In die lindelaan,
Van ja-hop-sa-sa,
Daar woont een rijke heer.
Anders:
In Holland staat een huis, ja huis,
en in Holland staat een lindelaan;
Falderie, faldera, Falderopsasa,
En in Holland staat een huis.

Wie woont daar in dat huis, ja huis?
En wie woont daar in die lindelaan?
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Wie woont daar in dat huis?

Daar woont een rijke heer, ja heer,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Daar woont een rijke heer.

Nu krijgt die heer een vrouw, ja vrouw,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu krijgt die heer een vrouw.

Nu krijgt die vrouw een kind, ja kind,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu krijgt die vrouw een kind.

Nu krijgt die heer een knecht, ja knecht,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu krijgt die heer een knecht.

Nu krijgt die vrouw een meid, ja meid,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu krijgt die vrouw een meid.

Nu jaagt de vrouw de meid, ja meid,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu krijgt de vrouw de meid.

Nu gaat die heer in 't bosch, ja bosch,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu gaat die heer in 't bosch.

Nu gaat die vrouw van 't huis, ja huis,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu gaat die vrouw van 't huis.

Nu is dat kind alleen, alleen,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu is dat kind alleen.

Zeg, kind, waar is je vaâr, je vaâr
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Zeg, kind waar is je va&âr.

Mijn vaâr, die is in 't bosch, ja bosch,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Mijn vaâr, die is in 't bosch.

Wat doet hij in dat bosch, ja bosch,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Wat doet hij in dat bosch.

Daar klooft hij een goed hout, ja hout,
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Daar klooft hij een goed hout.

Nu steekt men 't huis in brand, ja brand.
Al in die rijke lindelaan,
Falderie, faldera, Falderopsasa,
Nu steekt men 't huis in brand.

35

Daar ginder staat een huis,
Steigerde, weigerde, wipmanshuis;
Daar ginder staat een huis.

Wie woont daar in dat huis,
Steigerde, weigerde, wipmanshuis;
Wie woont daar in dat huis,
Daar woont alleen een boer,
Steigerde, weigerde, wipmansboer,

Die boer, die kreeg een vrouw,
Steigerde, weigerde, wipmansvrouw.
Toen loeg hij om die vrouw,
Steigerde, weigerde, wipmansvrouw,

Toen kreeg die boer een kind,
Steigerde, weigerde, wipmanskind,
Toen loeg hij om dat kind,
Steigerde, weigerde, wipmanskind.

Toen kreeg die boer een knecht,
Steigerde, weigerde, wipmansknecht,
Toen loeg hij om dat knecht,
Steigerde, weigerde, wipmansknecht.

Toen kreeg die boer een meid,
Steigerde, weigerde, wipmansmeid,
Toen loeg hij om dat meid,
Steigerde, weigerde, wipmansmeid.

Toen stierf die boer zijn vrouw,
Toen kreet hij om zijn vrouw.
Steigerde, weigerde, wipmansvrouw.

Toen stierf die boer zijn kind,
Toen kreet hij om zijn kind.
Steigerde, weigerde, wipmanskind

Toen stierf die boer zijn knecht,
Toen kreet hij om zijn knecht.
Steigerde, weigerde, wipmansknecht.

Toen stierf die boer zijn meid,
Toen kreet hij om zijn meid.
Steigerde, weigerde, wipmansmeid.
Toen stond hij weêr alleen.

36

(Swalmen)
     Lieske in de kamer
       Zaag ons niet,
't Arme dierke was zo krank.
Haas hup, haas hup, haas hup,
      Pif, paf paaf.
(De kinderen staan in een kring; één neemt plaats in het midden en wijst met gesloten oogen een ander aan, die het moet vervangen.

37

Ik heb mijn geld op hoopen gesteld,
  Gestapeld op zijn kanten,
Ik heb mijn liefje trouw beloofd,
  Een trouw van diamanten.
Ziedaar, schoone jonkvrouw!
Heb jij der mijn hand op trouw,
  En daarop zoen ik jou.

38

Hei! zei hij, en 't meisje zie:
  Een ander wil ik kiezen;
Veel liever heb ik aan mijn zij
  Een bundeltje met biezen,
Dan bij zoo'n ouwen kouwen man
  Je zoudt er bij bevriezen.

39

De brand is in de lantaren,
  De vonken vliegen der uit,
De meisjes hebben zoo garen
  Een stuiver voor een duit.

Jantje, kom binnen, kom binnen,
Jantje, kom binnen bij Trijntje,
Geef ze een zoen, ze is zoo groen,
Dan kan je nog wel eens meer doen.

40

Ik zeider wel Jaap,
Ik zeider wel Jaap,
Ik zeider wel Jaapje, sta stil.
En waarom zou ik stille staan?
Ik heb van mijn leven geen kwaad gedaan!
Ik zeider wel Jaap,
Ik zeider wel Jaap,
Ik zeider wel Jaap sta stil.

41

Hop, Marjannetje, koffiekannetje,
Hop, Marjannetje Jansen,
Hij wiegt het kind en roert de pap,
En laat zijn hondje dansen.

Hop, Marjannetje, tap me een kannetje,
Tap me een hallef pintje;
Een goeie man en een brave vrouw,
En ook een heel lief kindje.

42

Hop, Marjannetje, stroop in 't kannetje,
Laat de popjes dansen;
Eertijds was de Prins in 't land
En nu die kale Franschen.

Hop, Marjannetje, stroop in 't kannetje,
Hop Marjannetje Jansen.
Hij wiegt het kind en roert de pap
En laat zijn hondje dansen.

43

Hop Marjannetje,
Nog een kannetje,
Nog een hallef pintje;
't Is niet voor mijn,
Maar voor Katrijn,
En voor haar beste vrindje.

44

  Hopsa, Jannetje,
  Stroop in 't kannetje,
  Moeder mag ik eens likken?
Een goeie man en een brave man,
En een man van complaisance.
Hij roert de pap en hij voeêrt het kind,
En laat zijn vrouwtje dansen.

45

(Swalmen)
            Moeder, ek heb met Kaatje gedanst,
              Al onder die tenten
              Al onder die tenten.
            Moeder, ek heb met Kaatje gedanst,
              Al onder die tenten,
                Al op zich Fransch.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Moeder scheurt mijn voorschoot niet,
              't Is mijn beste
              't Is mijn beste
            Moeder scheurt mijn voorschoot niet,
              't Is mijn beste,
                 Gelijk gij ziet.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Meisje, breek mijn kruisje niet,
              't Is mijn gouden
              't Is mijn gouden,
            Meisje, breek mijn kruisje niet
              't Is mijn gouden,
                 Gelijk gij ziet,
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Hebt gij van zooleven wel een gek gezien,
              Boeren met schoenen?
              Boeren met schoenen?
            Hebt gij van zooleven wel een gek gezien,
              Boeren met schoenen?
                Ja, wel tien.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Hebt gij van zooleven wel een gek gezien,
              Burgers met klompen?
              Burgers met klompen?
            Hebt gij van zooleven wel een gek gezien,
              Burgers met klompen?
                Ja, wel tien.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Altied sjluit dat boer sie wief
              Mit eine Klöppel,
              Mit eine Klöppel.
            Altied sjluit dat boer zie wief,
              Mit eine Klöppel
                Op zie lief.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.

            Altied brult dat boer zienen os
              Um drie oere,
              Um drie oere.
            Altied brult dat boer zienen os
              Um drie oere,
                Ins van honger en ins van dorst.
Tralaliere, tralaliere, tralaliere, tralala, tralaliere, tralala.
(De kinderen staan in een kring en loopen onder het zingen langzaam rond, doch bij het refrein gaan zij dansen.)

46

(Swalmen)
Toen ik op den kerkhof kwam,
Daar lag een blauwen steen,
En als die steen verloren gaat,
Die neemt zich een er bij.
  Viderellala, Viderellala, Viderellala.

Ik zette u dat hoedje op
En sage u adieu..
  Viderellala, Viderellala, Viderellala.

Ik bestel een groes
Aan vrouw kroes
  Viderellala, Viderellala, Viderellala.

Ik bestel een compliment,
Dat is mijn gansche spillament.
  Viderellala, Viderellala, Viderellala.
(De kinderen staan hand aan hand in een kring. Eén staat er in het midden, die zich één uit den kring kiest. Onder het zingen van het refrein van het eerste couplet maken die twee een dansje, onder het tweede couplet kloppen zij elkander op het hoofd, onder het derde en vierde drukken ze elkaar de handjes, telkens dansende bij het refrein.)

47

Hedde niet gehoord van den zeuven, den zeuven,
Hedde niet gehoord van den zeuvensprong?
Ze zeggen, dat ik niet dansen en kan;
Ik kan dansen als eenen edelman.
Hedde niet gehoord van den zeuven, den zeuven,
Hedde niet gehoord van den zeuvensprong.

48

Jantje, stootje je teentjes niet,
Dat's een, dat's twee, dat's drie,
Dat's vier, dat's vijf, dat's zes;
Een stukje van je linkerpoot,
  Een stukje met je mes.

49

(Blitterswijk) Doorkruipspelletje
Vreuneke, teuneke, blierebloan,
Laat ons stillekes binnengoan,
Kiele, kiele, kattendans.

50

(Kinderen, hand aan hand ronddansende, en zich zo windende om een stilstaand persoon):
Jan dikkendrol, Jan dikkendrol
Die wordt hoe langer hoe dikker
(Is het laatste kind omgewonden, dan samen springen en vallen, onder 't zingen van):
Jan Huigen, Jan Huigen,
De toren valt in duigen.

51

(Bij het dribbelen)
Haken en oogen,
Tikke-takke-togen
  Goud papier,
  Tirelirelier.
Of:
Haken en lussen,
Juffrouw van der Dussen,
  Goud pampier,
  Tirelirelier.
Of:
      Haken en oogen,
      Krom gebogen;
      Wit katoen,
Wat zal ik met haken en oogen doen?
Ook wel:
  Havertje zaaien,
  Boekweit zaaien,
Linksom, rechtsom,
Keer je dan eens anders om.

52

Hansje sokken,
Trek hem aan zijn rokken,
Trek hem aan zijn staart;
Hansje is geen oortje waard.

53

Ik kwam laatst door een boôgaard gaan,
Daar gemoette mij een kikvorsch;
Ik meende hem te grijpen,
Ik meende hem te knijpen,
Met zoo sprong zijn broekje los,
  Wip! zei de kikvorsch.

54

Kruip door, sluip door,
Driemaal voor niet door.

55

Daar kruipt een vogeltje,
Al door het groene woud,
  Van je meierasasa,
  Van je heierasasa;
Daar kruipt een vogeltje,
Al door het groene woud.

56

  Een, twee, drie, vier,
  Een hoedje van papier;
En als het hoedje dan niet past,
Dan zetten we 't in de glazekast,
  Een, twee, drie, vier,
  Een hoedje van papier.

57

Eén, twee, drie, vier,
Hoedje van, hoedje van,
Eén, twee, drie, vier,
Hoedje van papier.
Heb je dan geen hoedje meer,
Maak er één van bordpapier.
Eén, twee, drie, vier,
Hoedje van papier.

58

'k Wou zoo graag een ketting breien;
Dat gaat door de stad van Leien,
Ha, haasje, knikker de knaasje,
Ha, haasje, door den dauw.
'k Wou zoo graag een ketting breien;
Ha, haasje, knikker de knaasje.
  Bordpapier, tirelirelier.

59

Houd open, houd an,
Wij loopen, door den kouseband;
Kouseband met knoopen.
Daar zijn we doorgeloopen.
Sprei maar voort een wagenknecht,
Laat den koning door 't gerecht;
Sprei maar voort, sprei maar voort,
Laat den koning door den poort.

60

Strijd maar voort, de jonkersknecht
Laat den koning door zijn recht,
Van die heirasa, van die fladderadera,
Komt spiegelend al door de poort;
De poort die wil niet open,
De koning kan niet loopen,
Dan zullen wij hem dragen
Uit den wagen,
Over de brug,
Op den rug.

61

        Poort open de baan,
        Daar komen wij aan,
Daar komen twintig mooie meisjes aan.


[Baker- en Kinderrijmen pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.