Tel- en aftelrijmen

Baker- en Kinderrijmen

1

Eun, deun, dip,
Ikke de kane flip,
Ikke de kane boekenemane,
Eun, deun, dip.

2

Eun, deun, dip,
Volte, kale, kip,
Volte kale, mosterd malen,
Eun, deun, dip.

3

Eene, weeze, wes,
Olie in de flesch,
Olie in de kan;
Wie is de man?

4

Eeze, beeze, ban,
Ik er af en jij er an.
Wij zijn met ons negenen,
Morgen zal het regenen;
Als er dan een dief kwam,
Die de schotel van tafel nam.
Ien, tien, kneppelde tien,
Honderduizend en dertien.

5

Achter den molen leit een blok,
't Is gestolen en 't leit er nog;
Ien, tien, kneppelde tien,
Honderduizend en dertien.

6

Anemane, mikkelemee,
Obbelde, dobbelde, dominee,
Ik in mijn nood zonder brood,
Ik en morellen, zonder bellen.
  Es, bles, doof is weg.

Anders, na den eersten regel:

Anemane, mikkelemee,
Hobbel, den dobbel, den dominee
Flik, flak, floot, eik en lood,
  Jij bent dood.

Of ook, na de twee eerste:

Anemane, mikkelemee,
Obbelde, dobbelde, dominee,
Eenmaal rellen, zonder bellen,
      A B bof,
Jij bent eerlijk en zuiver of.

7

Eune, deune, derf,
Quaterom, cincson, serf,
Serviole, dubbele mole,
Ennegat, pennegat, kringat, mingat,
      Ongeschoren,
En Clementje blaast op den horen,
Op den trommel en op de fluit;
Daarmeê is mijn liedje uit.

8

Engeltje, drengeltje, dros,
Kaatje, flemeltje, fros,
Een minuutje, kabelekuutje,
Olie - of.

9

Eenmaal, tweemaal, zesmaal zeere,
Gij zult leeren,
Jiere, kniere, knarre, knoes,
Gij zijt de poes.

10

Eunum, deunum, dip,
Aardappels zonder stip,
Aardappels zonder zout,
De aardappels worden koud.

11

    Onder het tafeltje, waar ik zat,
    Daar ik gebraden vleeschje at,
    Daar ik rooie wijntje dronk,
    Die al in mijn hartje klonk;
    Van mijn hartje tot mijn hoofdje,
Buiten leit een schelvischoogje,
Ien, tien, kneppelde tien,
Honderduizend en dertien.

Anders, na de vier eerste regels:

            Onder het tafeltje, waar ik zat,
            Daar ik gebraden vleeschje at,
            Daar ik rooie wijntje dronk,
            Die al in mijn hartje klonk;
            Wij zullen gaan tellen
            Van onze gezellen,
Van ien, tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd.
      Gij zijt er zuiver en eerlijk afgeteld,
      Waar de boer zijn schapen stelt,
         Pief, paf, poef.

(Maarssen)

Anders, na de eerste vier regels:

    Onder het tafeltje, waar ik zat,
    Daar ik gebraden vleeschje at,
    Daar ik rooie wijntje dronk,
    Die al in mijn hartje klonk;
    In mijn hartje, in mijn hoofdje.
    Buiten ligt een schelvisch dood;
    Ik zal hem gaan begraven,
    Onder de groene haven,
    Onder de groene lindeboom,
    Daar leidt een Engelsch schip op stroom,
    De Franschen zijn gekomen,
    Ze zijn zoo rijk als ik,
    Ze dragen hoeden met pluimen,
    En jasjes van terpentijn,
    Wie zal hem zijn?
    ik .... of .... jij.

Met een variant op de drie laatste regels:

    Onder het tafeltje, waar ik zat,
    Daar ik gebraden vleeschje at,
    Daar ik rooie wijntje dronk,
    Die al in mijn hartje klonk;
    In mijn hartje, in mijn hoofdje.
    Buiten ligt een schelvisch dood;
    Ik zal hem gaan begraven,
    Onder de groene haven,
    Onder de groene lindeboom,
    Daar leidt een Engelsch schip op stroom,
    De Franschen zijn gekomen,
    Ze zijn zoo rijk als ik,
    Ze dragen hoeden met pluimen,
    Met zestien ellen lint;
    Ze kunnen de stad niet winnen,
    Is dat geen gekke vent?
    Wie zal hem zijn,
    Ik .... of .... jij.

Nog anders, na de vier eerste regels:

    Onder het tafeltje, waar ik zat,
    Daar ik gebraden vleeschje at,
    Daar ik rooie wijntje dronk,
    Die al in mijn hartje klonk;
    In mijn hartje, in mijn hoofdje.
    Buiten leidt een schelvisch dood,
    We zullen hem begraven,
    Al onder de groen haven,
    Daar leidt een Engelsch schip;
    De Franschen zijn gekomen,
    Ze zijn zoo rijk als ik,
    Ze dragen hoeden met pluimen,
    Ze dragen een jasje van terrepentijn;
    Wie zal hem zijn?
    Ik .... of .... jij.

12

Te Rotterdam op de Keizersbrug
Zat een ventje met een krommen rug,
Hij heette Anke Manken,
Janse Jan Franken;
Hij verkoopt delen en planken.
Vrienden, ziet toe,
Dat je geen planken
   Van Anke Manken
   Janse Jan Franken
   Op en doet;
   Want die planken
   Van Anke Manken
   Janse Jan Franken
   Zijn zelden goed.

13

(Maarssen)
Onder de brug daar leidt een muis,
Is mijnheer de Wit niet thuis?
Mijnheer de Wit is water halen;
Raadt eens wie hem tegenkwam?
Twee ijzeren mannen,
Twee potten en pannen,
Twee mannen zonder ziel;
Waar is de ziel gebleven?
Boven op het kerkhof,
Daar hakken ze Piet zijn kop af ....
Van één, twee, drie.

14

Eéén, twee, een kopje thee;
Een klontje er bij,
  Af ben jij.

15

Iene, miene, mutten
Tien pond grutten,
Tien pond kaas;
Jij bent de baas.

16

Iene, miene, makken,
Oliekoeken bakken,
Vrouw, kookt brij,
  Af ben jij.

17

  Eene, meene, mukken,
  Posteleinen stukken,
  Heeren, boeren, knechten,
  De wind waait weg;
Of - stof - met je dikke beenen
  Ben je één, twee, drie - of.

Of, anders na de twee eerste regels:

  Eene, meene, mukken,
  Posteleinen stukken,
  Vrouw, heer, knecht,
    Jij moet weg.

18

        Ieze, wieze wellen,
        Wie zal tellen?
        Pietje van der Kaaien,
        Room van Smaaien,
        Room van Smee,
Daar gaat Piet van Kaaien heen.

(Tiel)

19

Iene, miene, mutten,
Tien pond grutten,
Tien pond kaas,
Jij bent de baas. -
Wil je me niet gelooven.
Klim dan maar naar boven,
Klim dan in den mast,
Schele Jaapje, houdt je vast!
Uivertje, stuivertje, stof,
    O .... f .... of.

20

(Maarssen)
Engel, drengel, drongel, dros,
Met het mondje van de vos.
    Een minuutje
    Papetuutje
Wee, wie, wa, weg.

21

(Maarssen)
Groen, groen grasje,
Melk in m'n kastje,
Melk in m'n kommetje,
Is dat geen aardig jongetje?
Wie het laatste tikje krijgt is vrij
Van de heele schutterij.

22

Eunom, deunom, dres,
Katerom, cinkom, zes;
    Halve Jan,
    Dokterman,
Enning, penning, troef.

23

Ane, drane, druivendressen,
Schuttelen, vieren, vijven, zessen,
Tafelborden even rond.
Secretaris had een hond;
Hond, hond, gaat over de zee,
't Watertje spoelt je van achteren meê,
Oude wijven koken brij.
Wie zal 't wezen, ik of jij?

24

    Engel, bengel, druivendres,
    Schouten, vieren, vijven zes.
    Tafelborden even rond,
    Secretaris had een hond,
    Hond sprong over de zee,
    't Water spoelde meê,
    Meê spoelde 't water,
    Kat achter kater,
    Kater achter kat,
    Zout in het vat,
    Zout in den lepel,
Morgen zullen we soep met suiker eten.

25

Hobbel den bobbel, den dominee,
      Eikenbrood,
      Zonder nood,
      Koekemerellen,
      Zonder bellen,
      Ei, bei, bus!
Fijne, kane, boekendebane,
      Ei, bei, bus!
Die de laatste klap krijgt,
Die zal ze eerlijk en zuiver wezen.

26

Inke, tinke, tullepetijnen,
Vieze, vaze, dubbele daze,
Iksem tien, gouden riem,
Erum, bierum, zestien.
  Pief, pof, paf,
Je bent eerlijk af.

27

Mijn vader zou laatst een kistje beslaan,
Raad eens hoe veel spijkers daarin konden gaan:
      Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.
          Olie in de flesch,
          Olie in de kan,
          Weg was Jan;
   Wie het laatste tikje krijgt is vrij:
           v, r, ij is vrij.

28

Amsterdam, die groote stad,
Die staat op honderd palen,
En als die stad eens ommevalt,
Wie zal dat betalen?
Ik niet, jij niet en een ander ook niet.
Rien, tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd

29

(Rotterdam)
Mijn vader zou eens een raampje beslaan,
Raad eens hoe veel spijkers er in zouden gaan?
          Eén, twee, drie, enz.
          Olle, bolle, boep!
          Twee borden soep,
          Twee borden rijstebrij,
Dat zal van avond smullen zijn.

30

Onder de groene boomen
Daar leit een Engelsch schip;
De Franschen zijn gekomen,
Ze zijn zoo gek als ik.
Ze dragen hoeden met pluimen,
Een rok van perkament.
Rien, tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd,
Honderd is dood,
Bij Maria in den schoot.

31

Onder de groene boomen
Daar leit een Engelsch schip;
De Franschen zijn gekomen,
Ze zijn zoo rijk als ik.
Ze dragen hoedjes met pluimen,
En een rokje van perkament.
En ze moeten voor Holland ruimen,
Al waren ze nog zoo'n vent.

32

(Maarssen)
Onder de groene boomen
Daar leit een Engelsch schip;
De Franschen zijn gekomen,
Ze zijn zoo rijk als ik.
Ze dragen hoeden met pluimen,
Van rikke, tikke, truimen,
  Van rien, tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd,

33

(Zaanstreek)
Rommelbussie, rommelbussie,
     Er, der, do,
     Katte, merre, mo,
Katte, merre, sisseljerre,
     Er, der, do.
Of, stof, met jou dikke beenen,
     Ben je o, f, of.

34

(Tiel)
Een, twee,
Kopje thee;
Drie, vier,
Kinneke bier;
Vijf, zes,
Kurk op de flesch;
Zeven, acht,
Soldaat op wacht;
Negen tien,
'k Heb een dief gezien;
Tien, elf,
Gij zijt de dief zelf.

35

(Tiel)
Roer om de pot.
Waar is kees en waar is Lot?
Lot is in het gangetje.
Wat doet ze daar?
Ze speelt met haar balletje.
Wat heeft ze verloren?
      Allebei der ooren,
      Koffiedik,
      Af ben ik;
      Koffiestroop,
      Af ben de gij ook.

36

Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht,
Soldaat op wacht,
Soldaat op post,
Gij zijt verlost.

37

Achter de kerk daar leit een blok,
't Is gestolen en 't leit er nog.
Ien, tien, teugen,
Mijn vader kan het heugen,
Moeder komt van Amsterdam,
Amsterdam van Spanje
Een appeltje van oranje,
Een appeltje van den pereboom.
Wie zal hebben den gouden kroon?
Eh, weh, wah, wei, weg!

38

(Limburg)
Wao is Piet, wao is Klaos?
Klaos is in et stelke.
Wat deit er dao?
Hè sniet de koe de kop aof.
Riem, tiem, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd

39

(Limburg)
Dao kwaom ei menke van Mestreech,
Hè had e liène buske aon,
Hè had geschreve op Letien
Dat hè morge hej zoe zien.
Riem, tiem, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd,

40

(Maastricht)
Aoke kraoke,
Boene baoke,
Ulleke bulleke,
Boene bóf,
Eeine schoon en eine slof,
Af bent gij!

41

(Venloo en elders in Limburg)
Hake, bake mote krake,
Willen wij een wedden om een vleeg,
Doe zeks dat ik het leeg.
Teen pont ten halve,
De koe zal morgen kalve,
De haan zal op den toren staon,
De klokke zullen bim bam gaon,
      Biba hostra,
Al wie den laatsten slag zal hebben
     Is vrij,
     Ik of gij.

42

(Sittard)
Ona, dona tanta roma,
Itta fitta bona bon,
     Jef, oef, aaf.

43

(Sittard)
Eune deuneke Sint Marie,
Kwinke de kwant van domié,
Gölje raaf, eine plompen äzel,
       Jef, oef, aaf.

44

Eiken - beuken - berkenhout,
Is er iemand alzoo stout
Die wil zeggen dat ik 't lieg?
Wie wil wedden om een vlieg,
Wie wil wedden om een vaan,
Dat hier vijfentwintig streepjes staan?

(Als men bij 't opdreunen van dit telrijm bij ieder toonheffing een streepje zet, komen er juist vijfentwintig.)

45

Ik wil wedden om een vaan
Dat hier veertien streepjes staan.

46

(Sittard)
        Ein, twee, dao,
        Viele, viele, rao,
Viele, viele, viele, viele,
De boer kan gein twintig tälle,
Twintig schtaen ter dao.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>