Verhalen en liedjes

Baker- en Kinderrijmen

1

Daar was ereis 'n mannetje,
Die veegde zijn stalletje.
Wat vond hij erin?
Een gouden, gouden stuivertje
Wat kocht hij ervoor?
Een vet, vet varken.
Maar 't varken wou niet gaan,
Of 't moest gedragen worden
Op een berrie of kruiwagen.
Toen ging hij naar den hond:
"Hond, wil jij varken bijten?
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei de hond.
  Toen ging hij naar de stok:
"Stok, wil jij hond slaan?
"Hond wil niet varken bijten,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei de stok.
  Toen ging hij naar het vuur:
"Vuur, wil jij stok branden?
"Stok wil hond niet slaan,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei het vuur.
  Toen ging hij naar het water:
"Water, wil jij vuur blussen?
"Vuur wil stok niet branden,
"Stok wil hond niet slaan,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei het water.
  Toen ging hij naar den os:
"Os, wil jij water slobberen?
"Water wil vuur niet blussen,
"Vuur wil stok niet branden,
"Stok wil hond niet slaan,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei de os.
  Toen ging hij naar den man:
"Man, wil jij os dollen?
"Os wil niet water slobberen,
"Water wil vuur niet blussen,
"Vuur wil stok niet branden,
"Stok wil hond niet slaan,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Neen, zei de man.
  Toen ging hij naar de galg:
"Galg, wil jij man hangen?
"Man wil niet os dollen,
"Os wil niet water slobberen,
"Water wil vuur niet blussen,
"Vuur wil stok niet branden,
"Stok wil hond niet slaan,
"Varken wil niet gaan,
"Of 't moet gedragen worden
"Op een berrie of kruiwagen.
  Ja, zei de galg.
En de galg hing den man,
En de man dolde den os,
En de os slobberde het water,
En het water bluschte het vuur,
En het vuur brandde den stok,
En de stok sloeg den hond,
En de hond beet het varken,
En het varken liep heel hard.
Kijk, kijk, kijk! daar gaat 't!!

2

Keutje wou niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.

Toen gingen ze naar de honden:
Honden, wil je keutje bijten?
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zeien de honden.

Toen gingen ze naar de stokken:
Stokken, wil je honden slaan?
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zeien de stokken.

Toen gingen ze naar het vuur:
Vuur, wil je stokken branden?
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei het vuur.

Toen gingen ze naar het water:
Water, wil je vuur blussen?
Vuur wil geen stokken branden,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei het water

Toen gingen ze naar de koe:
Koe, wil je water drinken?
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei de koe.

Toen gingen ze naar den man:
Man, wil je koe kuisen?
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei de man.

Toen gingen ze naar de galg:
Galg, wil je man hangen?
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei de galg.

Toen gingen ze naar de rat:
Rat, wil je galg krabbelen?
Galg wil geen man hangen,
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Neen, zei de rat.

Toen gingen ze naar de kat:
Kat wil je ratten vangen?
Rat wil geen galg krabbelen,
Galg wil geen man hangen,
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
  Ja, zei de kat.

En de kat naar de rat,
En de rat naar de galg,
En de galg naar de man,
En de man naar de koe,
En de koe naar het water,
En het water naar het vuur,
En het vuur naar de stokken,
En de stokken naar de honden,
En de honden naar keutje,
En keutje al haar best naar school!

3

Wanneer, ga je naar Amsterdam, Barendneef?
Van de week, Lieve de Lijsje,
Van de week, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Wat zal je me dan meêbrengen, Barendneef?
Een mooi jakje, Lieve de Lijsje.
Een mooi jakje Lijsjenicht. Zeer verplicht!
En als dat jakje kapot gaat, Barendneef?
Stop het weêr dicht, Lieve de Lijsje.
Stop het weer dicht, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik dat meê dichtmaken, Barendneef?
Met een bos stroo, Lieve de Lijsje,
Met een bos stroo, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik dat stroo vandaan halen, Barendneef?
Van de koe, Lieve de Lijsje,
Van de koe, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
En als dan de koe me stooten wil, Barendneef?
Stoot 'er dan weêrom, Lieve de Lijsje,
Stoot 'er dan weêrom, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik 'er meê stooten, Barendneef?
Met de tang, Lieve de Lijsje,
Met de tang, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik die tang vandaan halen, Barendneef?
Van den smid, Lieve de Lijsje,
Van den smid, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
En als de smid me branden wil, Barendneef?
Brand hem weêrom, Lieve de Lijsje,
Brand hem weêrom, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik hem meê weêrom branden, Barendneef?
Met een kool vuur, Lieve de Lijsje,
Met een kool vuur, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal ik die kool vandaan halen, Barendneef?
Uit den kelder, Lieve de Lijsje,
Uit den kelder, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
En als ik dan van de trappen val, Barendneef?
Dan breek je je nek, Lieve de Lijsje,
Dan breek je je nek, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal je me dan begraven, Barendneef?
In de goot, Lieve de Lijsje,
In de goot, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Of, anders na de eerste drie regels:
Wanneer, ga je naar Amsterdam, Barendneef?
Van de week, Lieve de Lijsje,
Van de week, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Wat zal je me dan meêbrengen, Barendneef?
Een mooien hoed, Lieve de Lijsje,
Een mooien hoed, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waar zal je dien hoed vandaan halen, Barendneef?
Van den zolder, Lieve de Lijsje,
Van den zolder, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Hoe zal je daar opkomen, Barendneef?
Met een leer, Lieve de Lijsje,
Met een leer,, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Dan bijten je de ratten, Barendneef!
Dan sla ik ze dood, Lieve de Lijsje,
Dan sla ik ze dood, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Waarmeê zal je ze doodslaan, Barendneef?
Met de tang, Lieve de Lijsje,
Met de tang, Lijsjenicht.  Zeer verplicht!
Of, in denzelfden trant:
Moeder, wanneer is 't kermis?
Over drie weken, Liederom Lijsje,
  Over drie weken, Lijsjelief.
Waar zal ik mijn kousen meê stoppen?
Met een bos stroo, Liederom Lijsje,
Met een bos stroo, Lijsjelief.
Waar zal ik dat stroo dan krijgen?
Achter de koe, Liederom Lijsje,
Achter de koe, Lijsjelief.
En als me de koe dan stooten wil?
Dan stoot haar weêrom, Liederom Lijsje,
Dan stoot haar weêrom, Lijsjelief.
Waar zal ik haar dan meê stooten?
Met de tang, Liederom Lijsje,
Met de tang, Lijsjelief.
Waar zal ik die tang dan krijgen?
Bij den smid, Liederom Lijsje,
Bij den smid, Lijsjelief.
En als me de smid dan branden wil?
Dan brand hem weêrom, Liederom Lijsje,
Dan brand hem weêrom, Lijsjelief.
Waar zal ik hem dan meê branden?
Met het vuur, Liederom Lijsje,
Met het vuur, Lijsjelief.
Waar zal ik dat vuur krijgen?
Uit den kelder, Liederom Lijsje,
Uit den kelder, Lijsjelief.
En als ik dan de trappen afval?
Dan val je dood, Liederom Lijsje,
Dan val je dood, Lijsjelief.
Wie zullen me dan begraven, Liederom Lijsje,
Twaalf dragers, Liederom Lijsje,
Twaalf dragers, Lijsjelief.
Wie zullen die dragers dan wezen?
Uit de buurt, Liederom Lijsje,
Uit de buurt, Lijsjelief.

4

Ik voer laatst over de Maas, la-ri-daas,
Ik voer laatst over de Maas;
Al met mijn oom Jan Klontere, Klontere, Klontere,
Al met mijn oom Jan Klontere,
  Al om een schapekaas.
Anders:
Ik voer laatst over de Maas, laridaas,
Ik voer laatst over de Maas;
Al met mijn oom Jan Klontere,
  Al om een schapekaas.
Toen ik daar over voer, laridoer,
Toen ik daar over voer,
Toen kraaiden al de haantjes,
  En de lichte dag kwam aan.
De meid, die veegde, 't huis, lariduis,
  De meid, die veegde 't huis.
Wat vond zij in haar bezempje?
  Een penning met een kruis.
Ik zei, dat ik geen geld en had,
En ik had nog meer dan zij;
Want ik had nog een oortje
En zij maar éénen duit,
En nog wel een oortje's keesje
  Voor den kleinen guit.
Anders:
Ik ging laatst over de zee, Dideldee,
Ik ging laatst over de zee.
Al met mijn houten lepeltje,
Al met mijn houten lepeltje,
Al met mijn houten lepeltje,
En de steel, die brak in twee.
Toen ik daar over kwam, Dideldam,
Toen ik daar over kwam,
Toen kraaiden al mijn hanetjes,
Toen kraaiden al mijn hanetjes,
Toen kraaiden al mijn hanetjes,
En 't daglicht dat brak an.
De meid zou vegen 't huis, Didelduis,
De meid zou vegen 't huis.
En wat vond zij onder haar vegertje?
En wat vond zij onder haar vegertje?
En wat vond zij onder haar vegertje?
  Een penning met een kruis.

5

  Te Maas- te Maaslandsluis,
  Daar wonen drie gezustertjes,
  En geen van drieën thuis.
De een, die schudde het bed, laridet,
  De een, die schudde het bed;
En wat vond ze onder 't dekentje?
En wat vond ze onder 't dekentje?
En wat vond ze onder 't dekentje?
En wat vond ze onder 't dekentje?
  Een zilver singenet.
En de tweede, de tweede, die veegde de vloer, larimoer.
  En de tweede, de tweede, die veegde de vloer;
En wat vond ze onder haar bezempje?
En wat vond ze onder haar bezempje?
En wat vond ze onder haar bezempje?
En wat vond ze onder haar bezempje?
  Een mooie parelsnoer.
En de derde, die kookte de pot, laridot,
  En de derde, die kookte de pot;
En wat vond ze onder het dekseltje?
En wat vond ze onder het dekseltje?
En wat vond ze onder het dekseltje?
En wat vond ze onder het dekseltje?
  Een groote waterrot.

6

Eens had ik mijn wagen verhuurd
en dat aan oude wijven.
Toen zij op der kermis kwamen,
gingen zij aan 't kijven.
Nooit meer wil ik het wagen,
oude wijven in mijn wagen.
Rijdt wat an, wagen
Wagen, rijdt wat an, voerman.
Anders:
Ik had een wagen vol geladen,
  Vol met oude wijven.
Toen ze kwamen op de markt,
  Begonnen ze te kijven;
Ze keven hier, ze keven daar.
Oude wijven is slechte waar;
'k Wil niet meer laden op mijn wagen
Van die oude wijven.

Ik had een wagen vol geladen,
  Vol met oude mannen,
Toen ze kwamen op de markt,
  Gingen ze samenspannen.
Ze spanden hier, ze spanden daar;
Oude mannen is slechte waar;
'k Wil niet meer laden op mijn wagen
Van die oude mannen.

Ik had een wagen vol geladen,
  Vol met oude dochters,
Toen ze kwamen op de markt,
  Deden ze niet als krochen.
Ze  krochten hier, ze krochten daar;
Oude dochters is slechte waar;
'k Wil niet meer laden op mijn wagen
Van die oude dochters.

Ik had een wagen vol geladen,
  Vol met oude heren,
Toen ze kwamen op de markt,
  Deden ze niet als zweren.
Ze  zwoeren hier, ze zwoeren daar;
Oude heren is slechte waar;
'k Wil niet meer laden op mijn wagen
Van die oude heren.

Ik had een wagen vol geladen,
  Vol met jonge dochters ,
Toen ze kwamen op de markt,
  Werden ze al verkocht er.
Verkocht alhier, verkocht
Jonge dochtes is goede waar;
'k Wil wel laden op mijn wagen
Van die jonge dochters.

7

't Liedje van den Beer

't Is veertien dagen nu geleên.
  Is 't niet een lange tijd?
  Is 't niet een lange tijd?
Dat eens een beer was ziek van leên.
  Hij kreunde en hij steunde,
  Hij keerde zich en wendde,
  Maar 't eindje was de dood.
  Maar 't eindje was de dood.

Die beer maakte eerst zijn testament,
  En weet je wal aan wie?
  En weet je wal aan wie?
Zijn kop schonk hij aan 't parlement,
  Zijn buik gaf hij aan de Papen,
  Opdat ze konden gapen.
  De koster kreeg den staart.
  De koster kreeg den staart.

Toen sprak hij zijn beminde aan,
  En zie: "mijn lieve kind,
  En zie: "mijn lieve kind,
't Is met mijn lijen haast gedaan,
  Draag zorg voor onze kindren,
  Opdat ze niemand hindren."
  Toen gaf de beer den geest.
  Toen gaf de beer den geest.

De zeug maakte daarop groot misbaar
  Bij 't scheiden van den echt,
  Bij 't scheiden van den echt,
En al de bigjes met elkaâr,
  Zij riepen: "Ach, ma mère!
  Nu ben je douairière,
  Want paatjelief is dood!"
  Want paatjelief is dood!"

De zeug nu kleedt zich in den rouw,
  Al met een krippetip,
  Al met een krippetip,
Heel netjes als een weduwvrouw,
  Met een paar eleganten,
  En lobben zonder kanten,
  Een waaier in haar poot.
  Een waaier in haar poot.

De gansche stad ging in den rouw,
  Men speelde op fluit en trom,
  Men speelde op fluit en trom,
Ter eere van de weduwvrouw;
  In alle vier kwartieren,
  Zag men de wapens zwieren,
  Van hammen en van spek.
  Van hammen en van spek.

8

Het lied van 't Bestje

Hoort, wat een klucht, wat een abuis
Was laatst in het bestjeshuis:
Het bestje, dat te slapen lag,
Droomde, dat het moest sterven;
En toen het nu weêr wakker was,
  En dacht om hare zaken,
Verzocht zij in haar huisje ras,
  Een testament te maken;
"Want ik sterf, want ik sterf!"
  Riep het oude bestje,
"En ik derf, en ik derf
  Nu mijn borrelfleschje."

De notaris kwam terstond,
Haar familie in het rond,
Ieder kwam er om zijn deel,
Maar helaas! het was niet veel,
"Want ik sterf, want ik sterf!"
  Riep het oude bestje,
"En ik derf, en ik derf
  Nu mijn borrelfleschje."

"Eerst mijn kiep of beste hoed,
Die is nog als nieuw zoo goed;
Kom notaris, schrijf maar op,
Die 's voor nichtje Trijn haar pop;
"Want ik sterf, want ik sterf!"
  Riep het oude bestje,
"En ik derf, en ik derf
  Nu mijn borrelfleschje."

"Nu mijn krukje, dat daar staat,
  't Mag haar ondersteunen,
Want ik ga niet meer op straat,
  'k Hoef niet meer te leunen;
"Want ik sterf, want ik sterf!"
  Riep het oude bestje,
"En ik derf, en ik derf
  Nu mijn borrelfleschje."

"Nu mijn fleschje met anijs,
  Laat ons saam eens drinken,
En aleer ik ga op reis
  Nog eens helder klinken!
"Want ik sterf, want ik sterf!"
  Riep het oude bestje,
"En ik derf, en ik derf
  Nu mijn borrelfleschje."

Maar toen 't alles was geschied,
Stierf het oude bestje niet.
"'k Sterf nog niet, 'k sterf nog niet!"
  Riep het oude bestje,
"Wat verdriet! wat verdriet!
Niets meer in mijn fleschje!"

9

Het lied van den boom

De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En aan dien boom, daar kwam een tak,
  O, zoo'n overschoone tak!
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En aan dien tak, daar kwam een twijg,
  O, zoo'n overschoone twijg!
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En aan die twijg, daar kwam een knop,
  O, zoo'n overschoone knop!
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En aan die knop, daar kwam een blad,
  O, zoo'n overschoone blad!
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En aan dat blad, daar kwam een nest,
  O, zoo'n overschoone nest!
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En in dat nest, daar kwam een ei,
  O, zoo'n overschoone ei!
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van dat ei, daar kwam een jong,
  O, zoo'n overschoone jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van dat jong, daar kwam een oud,
  O, zoo'n overschoone oud!
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van dat oud, daar kwam een veêr,
  O, zoo'n overschoone veêr!
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van die veêr, daar kwam een bed,
  O, zoo'n overschoone bed,
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En op dat bed, daar kwam een vrouw,
  O, zoo'n overschoone vrouw!
En de vrouw op het bed,
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van die vrouw, daar kwam een kind,
  O, zoo'n overschoone kind!
En het kind van de vrouw,
En de vrouw op het bed,
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

En van dat kind kwam een student,
  O, zoo'n overschoone student! -
En daarmeê is het lied ten end,
  O, zoo'n overschoone end! -
En het end van het lied,
En het lied van den boom,
En de boom die stond in 't aardrijk,
  En bloeide zoo schoon.

Hetzelfde, een weinig anders
Noord-Holland

De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En aan dien boom, daar kwam een tak,
O! zoo liefelijk een tak!
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En aan die tak, daar kwam een blad,
O! zoo liefelijk een blad!
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En aan dat blad, daar kwam een nest,
O! zoo liefelijk een nest!
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En in dat nest, daar kwam een ei,
O! zoo liefelijk een ei!
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van dat ei, daar kwam een duif,
O! zoo liefelijk een duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van dat duif, daar kwam een kuif,
O! zoo liefelijk een kuif!
En het kuif van het duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van dat kuif, daar kwam een dons,
O! zoo liefelijk een dons!
En de veer van het kuif,
En het kuif van het duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van die dons, daar kwam een bed,
O! zoo liefelijk een bed,
En het bed van de dons,
En de veer van het kuif,
En het kuif van het duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En op dat bed, daar kwam een paar,
O! zoo liefelijk een paar!
En de paar op het bed,
En het bed van de dons,
En de veer van het kuif,
En het kuif van het duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van die paar, daar kwam een kind,
O! zoo liefelijk een kind!
En het kind van het paar,
En de paar op het bed,
En het bed van de dons,
En de veer van het kuif,
En het kuif van het duif,
En het duif van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

En van dat kind kwam een student,
O! zoo liefelijk een student! -
En daarmeê is het lied ten end,
O! zoo liefelijk een end! -
En het end van het lied,
En het lied van den boom,
En De boom stond in de aarde,
En hij bloeide zoo schoon.

10

Het lied van 't nonneken

Zeg, nonneken, wildegij dansen?
  Ik zal u geven een ei.
Wel neen ik, zei dat nonneken,
  Van dansen ben ik vrij;
Ik kan niet dansen, 'k mag niet dansen,
  Dansen is mijn orde niet;
Begijntjes of nonnekens dansen niet.

Zeg nonneken, wildegij dansen?
  Ik zal u geven een koe.
Wel neen ik, zei dat nonneken,
  Van dansen wordt ik moê.
Ik kan niet dansen, 'k mag niet dansen,
  Dansen is mijn orde niet;
Begijntjes of nonnekens dansen niet.

Zeg nonneken, wildegij dansen?
  Ik zal u geven een paard.
Wel neen ik, zei dat nonneken,
  Dat is mij geen dansen waard
Ik kan niet dansen, 'k mag niet dansen,
  Dansen is mijn orde niet;
Begijntjes of nonnekens dansen niet.

Zeg, nonneken, wildegij dansen?
  Ik zal u geven een man.
Wel ja ik, zei dat nonneken,
  'k Zal dansen wat ik kan;
'k Zal wel dansen, 'k mag wel dansen,
  Dansen is mijn orde wel,
Begijntjes en nonnekens dansen wel.

Een variatie staat in "De familie Stastok" van Hildebrand

11

Leugenliedje

Toen 'k lest in Lombardije kwam,
Hoor eens, wat ik daar vernam:
't Koetje zat bij 't vuur en spon,
't Kalfje lag in de wieg en zong,
't Katje karnde boter,
't Hondje waschte de schotels,
De zwarte muis, die veegde 't huis,
De zwaluw droeg mot er uit
Op zijn vergulde vleugeltjes;
Zijn dat geen dikke leugentjes?

(Limburg)

Dao kwaom ik in en hoes,
Het kalf laog in de weeg,
Den hoôn de stoèdde de boètter,
De kat die lekde de schötel,
De vleremoes die kèrde het hoes,
De zwalme droege de asse oèt,
De vinken vlooge door et veld
En verteerde dao eur geld.

(Zeeuws Vlaanderen)

Karne, karne boter,
De hond, die wascht de schotels,
Kattepoes likt de borden af,
't Zwaaltje giet den aschpot uit
Achter in de lochting,
Daar de vogeltjes vochten;
Ze vochten dat de pluimpjes stoven,
Altijd was de koekoek boven;
De koekoek en 't leeuwerkje
Die bouwden te samen een kerkje,
Te midden van de zee;
Toen kwam een doove kwakkel,
Die nam een rotten appel
En smeet het kerkje in twee
En ze bouwden van zijn leven geen kerkje mee.


<p align=center>[<a target="_top" href="indext.html">Baker- en Kinderrijmen pagina</a>] [<a target="_top" href="/~ljcoster/indext.html">Coster pagina</a>]</p> <p>Bezorgd door <a target="_top" href="http://www.xs4all.nl/~jcdverha/">Joachim Verhagen</a>.<br> Opmerkingen aan: <A HREF="mailto:coster@dds.nl"><em>coster@dds.nl</em></A>.<br>