Voorwoord bij de eerste druk

Johannes van Vloten

"Aus Keimen" zegt de Zwitserse dichter

Aus Keinem die vom Baum gefallen,
Wird Hochwald, wipfelnd wiet und breit,
Und aus der Kindes leisem Lallen
Der Donner der Beredsamkeit.
Drum sollt ihr Kleines nicht verachten,
Ob scheinbar es im Schatten steht,
Wenn Euer Dichten, Euer Trachten
Of noch so sehr in 's Grosze geht.

Met die "grootheid" echter behoeft men 't nog zoo nauw niet te nemen; of wie, die in de wereld en de maatschappij rondgekeken, en een paar onbenevelde oogen in zijn hoofd heeft, is niet van al het erbarmelijke kinderspel overtuigd geworden, dat er de schering en inslag van uitmaakt, onder hoeveel grootschen schijn en boerenbedriegende praatjens men het te dekken en bewimpelen zoekt? Mij althans walgt veelal van al dat kinderachtige zelfbedrog, al dat ijdeltuitige gewriemel der groote meerderheid onzer geleerde en ongeleerde, beroemde en onberoemde volwassenen in staat en kerk. En te liever neem ik dan, uit den wanhebbelijke drom van al die misplaatste groote kinderen, mijn toevlucht tot het levenslustige terrein, waar het kinderspel uit den aard der zaak thuis is, de kinderkamer zelf. Daar verlustig en verkwik ik mij in de volle waarheid van het kinderleven, met al zijn schijnvrije dartelheid en ongedwongen toon. Daar verdiep ik mij in de herinnering mijner eigen blijde kinderdagen, en roep mij dat lustig verleden voor den geest, om in mijn eigen hart en zin des te frisscher en wakkerder te blijven, als ik mijn tijdgenooten en jongeren van jaren - minder van dagen nog dan van gemoed - in een geestdoodend schijnbejag verouderen en verdorren zie. Een kinderlijken, geen kinderachtigen zin, in zijn boezem rond te dragen, ziedaar waarop het aankomt, en waar het den meesten aan hapert; en gelukkig daarom wie in dien geest, steeds even jeugdig van hart weet te blijven, vol lust en leven voor de dingen, en op geen ijdeltuitig schijngenot, maar levensvolle waarheid uit. Deze kan hij overal vinden, zich in haar voortdurend verademen, waar hem de stikstof zijner omgeving hier of daar, en van den maatschappelijken dampkring waarin hij zich beweegt, de borst benauwen en met versmoring dreigen mocht. Hij heeft er zich zelf en zijn herinneringen slechts getrouw voor te blijven, en steeds onverdroten dezelfde belangstelling aan alles te wijden, wat om hem leeft en lacht, en van een gezonden aanleg blijk geeft. Dat lachende leven in een om zich te bevorderen en aan te kweeken, er het oog en hart ook van anderen voor te openen, moet het hoofddoel van zijn eigen leven en voortdurend streven zijn. Weg met zooveel jeugdige oudemannetjes en kindsche - helaas! niet kinderlijke - jonge menschen, reeds op hun twintigste jaar soms met hun bestaan verlegen, en geneigd zich uit verdriet en verveling van kant te helpen, omdat ze niet inzien, wat ze aan 't leven hebben!

"Van hier", gelijk de Nederlandsche dichter zingt,

Van hier, van hier 't vroeg stokoud ras,
Die doffe en watrige oogen,
Aan geestdrift vreemd en zielsgevoel,
Tot domlen in een luyen stoel,
Geboren en getogen.

"Houdt vast", daarentegen

Houdt vast, houdt vast met oog en hart,
De poëzy van 't leven;
Ze is overal, ze is altijd daar;
't Gemoed zij rein, het oog zij klaar,
Zoo ziet, geniet, verbiedt gij haar,
U ongemerkt te ontzweven.

En onder de middelen daartoe geen doeltreffender zeker, dan wat hij ons elders aanbeveelt:

Het hart blijft jong en wordt niet oud,
Wanneer 't zich frisch en open houdt,
Om al wat menschlijk is te voelen;
Te voelen wat een kind verblijdt -
en wat ons een verplaatsing in de kinderwereld ook onzer eigen prille jaren voor 't geheugen terugroepen zal. Niets dat daartoe beter geschikt is, dan de - onnoozele rijmen, ons van dien tijd overbekend, en waarin onze kindscheid, gelijk die onzer ouders en onzer eigen kinderen, zich vermeide. Zij zongen ons in slaap, op hielden onzen geest en verbeelding levendig, begeleidden ons in onze spelen en omdartelden ons, waar wij zaten of stonden, lagen of liepen. Hun verzameling herroept voor ons onze gedachten geheel onze jeugd: zij omvat de wereld onzer kinderdroomen, met al haar vaak onzinnig gesnap, waaraan wij ons kinderhart ophaalden en met den besten uitslapg laafden. Huist er dus ook de minste kinderzin in ons, vonkt er de flauwste sprank nog van 't oude levensvuur in ons binnenste, dan moeten die, bij het doorbladeren, verfrischt en verlevendigd worden, en ons als opnieuw verjongen.

Rees sedert een twintig jaar werd het hier thans meegedeelde uit verschillende oorden van het land bijeengebracht; het is echter verre van volledig, en blijft zich aan iedere belangstellend lezer en lezeres, van ouder en jonger leeftijd, ter aanvulling aanbevelen. Met niets zal men den verzamelaar meer verplichten, dan hem, waar de gelegenheid zich aanbiedt, alle daartoe strekkende bijdragen te doen toekomen, om allengs een zoo volledige mogelijken bundel in 't aanzijn te roepen.



Kleveroord, onder Bloemendaal, 8 Juni 1871.

[Baker- en Kinderrijmen pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.