Theo van Baaren

Utrecht

De grachten kruipen door de dode stad
als evenvele volgevreten slangen
en de barok verzakte huizen hangen
moe op elkaar, de kelders altijd nat

van grondrig water, bruin en slijmig, dat
de smaak heeft van bedorven minverlangen;
onder de straten lopen lage gangen,
het zwart domein van basilisk en rat.

Want hield een draak niet deze stad in stand,
in 't bannet van zijn ogen ingesloten
(bestaat ze soms alleen nog in zijn blik?)

dan was Utrecht allang slechts puin en zand,
waar ieder fundament op graven stoot en
schedels slingren in het singelslik.


Bron: De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten / Samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga. - Amsterdam: Sijthoff, 1985 Bundel: Versteend zeewier. - Utrecht: Odyssee Pers, 1941
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster