Nicolaas Beets

De Leydsche Burcht

Feestdronk uitgesproken op de oud-studenten-vereeniging, in de Burcht, den 9den Augustus 1838.



De Leydsche Burcht; de Leydsche Burcht
   De burcht der Wassenaren!
In Batoos erf, door Romes hand,
Op 't slijk des nieuwen Rhijns geplant,
  Voor achttienhonderd jaren!

Gy, wie der muitzucht ten bedwang
  Augustus machtwoord bouwde,
Gy burcht, van Adaas tranen nat,
Met bloed bemorst, met wijn bespat,
  En toch maar altijd de oude!

Berenning, aanval, slechting, brand,
  Geweld van ram en blijden,
Het bruischen van den Noordschen vloed,
Het stormen van den oorlogsmoed,
  Dat alles moest gij lijden.

Maar toen de zilvren halvemaan
  Uw poort werd uitgedragen,
En burchtgraafsrecht en titel koel
Verkocht aan 's Burgemeesters stoel;
  Toen kreegt gy gulden dagen.

Toen vestigde op uw ronde trans
  Minerva haar banieren,
En zette by uw schalk fontein
Zich neêr, om als een oud Romein
  Eens duchtig feest te vieren.

Sints; voor des krijgsmans vasten voet,
  Op laarzen aangeschreden;
Sints zaagt gy menig wanklen stap
Zich wagen op dien hoogen trap
  Van acht en zestig treden!

Zag soms des Slotvoogds wakker oog
  Met schrik op Rhijnlands weiden;
Sints zaagt gy menig rond gezicht
Op Hooglands hooge kerk gericht
  En 't kunstenkweekend Leyden.

Stijg, oude Burchtgeest, uit uw put!
  Kom uw gelaat vertoonen!
Put, die het Wassenaars geslacht,
Eeuw uit, eeuw in, naar Katwijk bracht
  Om d'afslag by te wonen.

Wat ziet gy van uw hooge tin?
  Wat ziet gy van uw transen?
Een heir van Zonen van Minerf
Zich zeetlen op uw wettig erf,
  Een heir van bekers glansen.

Een dronk voor U; een dronk voor U!
  Beschermgeest van den Toren!
Wy allen zagen aan zijn voet,
Weêrkaatsende in der blikken gloed,
  Zoo vaak de feesttoorts gloren.

Wy allen dronken vreugde en wijn
  In schaduw van zijn wallen;
En luider dan de wapenkreet,
Die U Graaf Willem hooren deed,
  Mocht onze feestkreet schallen!

Zie neêr! Van Kenmerland en Rhijn,
  Uit Zeeland, Friesland, Gelder,
Verjongt uw aanblik heel dees rij,
Die u begroet met Malvezij
  Uit Kramers ouden kelder.

Voorzeker; menig mop bezweek,
  Die eer uw bogen welfde,
Uw breede trappen zijn gesloopt.....
Maar wat vergaan mag of verloopt,
  Die kelder blijft dezelfde.

Zoo de ouderdom U knorrig maakt,
  Zoo dat de drukte U hindert,
Wie onzer zich student gevoelt,
Vindt 't hart nog even onverkoeld,
  Den feestzin onverminderd.

En dus; van 't vol studentenhart
  Klinke U dees kreet in de ooren;
Uw trotsche Burcht prijk jaar en dag
Met Pallas vaan en Bachus vlag,
  Beschermgeest van den Toren!