Nicolaas Beets

Vrouwengeluk



Gelukkig zijn in Holland alle vrouwen.
Vooreerst: ze spelen heel lang met de pop;
Om daarna in een kostschool huis te houen;
Daar leert men frans en engels in galop;
En om haar hartsgeheimen te vertrouwen,
Doet elke mooie een hele lelijke op;
Die schrijven zij dan 's zomers lange brieven,
Zo lang, zo lang -- totdat ze in ernst verlieven.

Nu komt de tijd, waarin men 'paraisseert';
Het kind gaat op Mama's visites mede;
Is heel vrij, heel confuus, of coquetteert;
Mevrouw is altijd van haar telg tevrede;
Zij speelt piano, zingt en reciteert;
't Oog van mama geeft klem aan ieders bede;
En als haar beeldschoon kind met heren spreekt,
Voelt ze aan haar hart of 't meisje bloost of bleekt.

De stad is juist niet rijk aan danspartijen;
Maar aan concerten wordt dit ruim vergoed.
Daar gaat men dan zo zachtjes aan wat vrijen,
En trapt gestaag het buurtje op de voet,
Als zich een jonkman aan haar 'toe komt wijen',
Die haar verslag van wind en weder doet,
En zonneklaar zijn liefde komt bewijzen,
Door haar het nieuwste zangspel aan te prijzen.

Voorts heeft ze een allerliefse kransje -- dan
Ik weet u daar niets meer van mee te delen;
Die dingen zijn mysteries voor de man.
'k Denk dat zij daar vrijmetslaresje spelen.
Een sneeuwval van biljetjes komt er van;
En 't blijft bestaan -- totdat ze er zich vervelen?
Neen! Tot zolang het meerderheidje trouwt,
Terwijl de rest haar nonnen-eden houdt.

Maar dat is dweperij, of zotte grillen,
Of kinderliefde, of iets daaraan gelijk;
Want 'daar zijn zoveel mannen als zij willen',
En zijn die oud of lelijk: zij zijn rijk;
Zo ze aan verstand nu juist zo zwar niet tillen.
Ze hebben posten in het koninkrijk --
Enfin! wie trouwen wil, heeft maar te kiezen
Uit vijftig SMITS en zeventig DE VRIEZEN.