BEELDEN UIT HET VERLEDEN

Anton BERGMANN (1835-1874)


Eenzaam en treurig zat ik op mijn studiekamer.

Ik had die dag vervelende processen onderzocht, lange brieven nagezien, verdrietige wetboeken doorbladerd, en bevond mij gelukkig, eindelijk in mijn brede leunstoel een weinig rust te genieten.

Het raam stond open. De warmte was drukkend. Halfdromend volgden mijn ogen de fantastische vormen en donkere kleuren der zware onweerswolken, die log en traag voorbijdreven.

In de verte loeiden als een orkaan de duizenden stemmen der grote stad, en haar verward geluid kwam als een zware zucht uitsterven aan mijn oor. Was het begoocheling? Maar op eens schijnt het mij, dat ik, buiten, op het land, het geraas der waggelende populieren hoor, en dit melancholisch geruis, dat mij eertijds zo dikwijls wiegelde, roept mij een gehele wereld van beelden en herinneringen voor de geest.

Het tegenwoordige verdwijnt met al zijn last en kommer. Mijn ongezellig vertrek, mijn stoffige boeken en verdufte papieren zijn vergeten. Een frisse wind blaast mij uit lang verlopen jaren tegen. Voor een ogenblik word ik nog eens jong, ik voel mijn hart warmer kloppen, mijn bloed sneller vlieden; ik vind de heldere dagen mijner kindsheid met hun levendige vreugden en eindeloze smarten, mijn lang vervlogen jeugd met haar gulden dromen weder.

Ginds tegen de belommerde straatweg ontwaar ik, tussen de vermolmde eiken, een nederige woning met witte muren, groene luiken en rode-pannendak. Me dunkt, ik herken 'het Pannenhuis', het buitenverblijf van tante, dat zijn rode kop, achter het groene lover, boven de strooien daken der boerenwoningen uitsteekt.

Op de tinne draait een vergulde kozak, die op een verguld paard van noord naar zuid reist en met een vergulde lans de wind wijst.

Tussen de vensters kronkelen de knobbelige armen van een oude wijngaard.

Over het graspleintje rond de woning springt en dartelt Man, onze trouwe poedelhond. Voor het opengeschoven gordijntje zit tante zelve, met haar goelijk gelaat, haar vriendelijke lach, de zware nijpbril op de ingevallen neus, de half afgewerkte kous in de magere hand.

Goede tante! Zo vind ik u in mijn oudste herinneringen weder, altijd even welwillend, even toegevend, even bezorgd voor het arme weeskind dat gij aangetrokken hadt. Zalige stonden der kinderjaren! Uw aandenken werpt een straal van vrede en onschuld over geheel het leven.

Hoe kommerloos en genoeglijk lopen de dagen voorbij!

Ik woon bij tante in het vreedzame Pannenhuis.

Mijn slaapkamertje is nevens haar nachtvertrek.

Ik hoor haar rondgaan en bewegen, tot ik insluimer, en slaap zonder de minste vrees; want aanstonds zijn wij verenigd, als de wind te vervaarlijk in de hoge bomen huilt, of een nare droom mij komt wekken.

Voor het daglicht aanbreekt, hoor ik de zware boerenkarren over de steenweg rollen, en de loden ruitjes van het raam daveren en rammelen van de schok. O! dan doet het goed zich nog eens rond te draaien, zich in te wikkelen, en te voelen, hoe buiten de koude nijpt, en hoe koesterend warm het in het beddeken is. Daar brengt de morgenzon haar eerste groet; een straaltje sluipt tussen de wijngaardranken binnen tot op het hagelwitte bedgordijn, en duizend stofjes dansen en wemelen in de glans.

"Ernestje, 't is zeven uren!" klinkt het voor de derde maal aan de trap.

Ik heb onz' Mie de koffie al horen binnendragen. Man op zijn beetje al horen blaffen. Het is tijd om op te staan.

Tante wacht mij op het ontbijt, en haar eerste woord is een moederzegen voor het kind, dat hem van niemand meer ontvangen kan.

In de morgen komen de landlieden met welgevulde beurzen en dikwijls waggelende schreden van de stad terug. De boterkorven wegen licht op het hoofd der boerinnetjes, en haar stap is vlug.

Er heerst leven en beweging op de baan, en 't is genoeglijk voor een kind tussen de karren en wagens te spelen en te huppelen, te roepen en te juichen voor de deur van het Pannenhuis.

De avond valt. De laatste diligentie rolt hobbelend en schommelend voorbij, en driemaal ter week werpt de koetsier het laatst verschenen nummer van de 'Postrijder' af, waarin tante de huwelijken, maar meer de overlijdens van haar vroegere kennissen leest, en onz' Mie 'de branden en rampen' spelt.

De gordijntjes worden fijn geschoven, de luiken dichtgemaakt. Alles wordt stil. Het blaffen van een wachthond in de verte is al wat soms de landelijke rust nog stoort, en onze Man de oren doet spitsen.

De huislamp komt binnen. Tante neemt haar breiwerk op en plaats zich in de rechterhoek ener oude canapé met bruin damast overtrokken, waarin men zo oprecht huiselijk en gemakkelijk zit.

Aan haar zijde wemelt en kruipt een ongedurig jongetje met blond haar - ja, het had blond haar in die tijd, helaas! - en levendige blauwe ogen.

"Maar Ernestje", vermaant de breister, het kind vriendelijk op de schouder kloppend, "kunt ge u dan toch geen Ave Maria stilhouden?"

"Wel ik zit zo stil als een muisken", verschoont de kleine, die juist bezig is een dansje te houden op de ressorts der canapé.

"Ja wel", herneemt de bejaarde vrouw, "het is de derde maal, dat ik mijn steken laat vallen, en ik kan ze maar niet opgeraapt krijgen."

"Tante lief", vleit de kleine, "moet gij dan eeuwig en altijd breien? Vertel liever iets uit uw jonge tijd, waar gij zo gaarn van spreekt."

"Vandaag niet", schudt de naarstige werkster, de blozende kinderkaakjes tussen haar vingers drukkend, "zoudt gij willen, dat ik tegen Mariatjes verjaardag niet gereed was? Het is overmorgen, en ik ben nog aan mijn eerste paar", en de bol saai rolt weder over de tafel, de breipriemen schuiven snel over elkander, en Ernestje zit zo stil als een muisken... voor een Ave Maria.

Zoete herinneringen! Frisse beelden uit lang vervlogen tijden!

Waar is het Pannenhuis? Waar de vergulde kozak? Waar onze arme Man?

Waar tante zelve met haar breiwerk en kous?

Uit Ernest Staas, advocaat. Schetsen en beelden


Anton Bergmann

Deze te jong gestorven advocaat in het kleine stadje Lier was ook schrijver. Als student aan de Gentse universiteit was hij een van de leiders van het studentengenootschap 't Zal wel Gaan, een groepering van studenten die hun Vlaamse en Grootnederlandse idealen propageerden in het daar toen heersend Franstalig milieu. Zijn vader George Bergmann, eveneens advocaat in Lier, was daar van 1853 tot 1872 burgemeester. Anton had een grote historische belangstelling en schreef o.a. Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, plundering van de hoofdkerk van Lier (1857) en Geschiedenis der stad Lier (1873). Zijn meesterwerk Ernest Staas, advocaat. Schetsen en beelden verscheen in 1874. Dit realistisch poëtisch verhaal is geïnspireerd door de jeugdjaren en het leven van de jonge advocaat in het kleinburgerlijke stadje aan de Nete. Nog tot ongeveer in het midden van deze eeuw prijkten uittreksels uit dit boek in praktisch elke Nederlandse bloemlezing tussen werk van Hendrik Conscience, 'de man die zijn volk leerde lezen', en van Edward Douwes Dekker, 'de onsterfelijke makelaar in koffie' die vijftien jaar eerder zijn Max Havelaar gecreëerd had op een Brussels zolderkamertje. Ernest Staas werd in die anthologieën steevast aangeprezen als de Vlaamse tegenhanger van de Camera obscura, wellicht omdat Nicolaas Beets het boek van Anton Bergmann destijds zoveel lof had toegezwaaid, toen hij daarover schreef: "Het is waarheid en leven, geest en gevoel, fijnheid van tekening en losheid van trek, juistheid van opvatting en schilderachtigheid van uitdrukking."


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster