Ik was in mijn hoofken om kruud gegaan

Ik was in mijn hoofkijn om kruud gegaan,
Ik en vand er niet dan distel ende doorn staan.

Den distel ende den doorn die wierp ik uut,
Ik zoude gaarne planten ander kruud.

Nu heb ik een gevonden, die gaarden kan;
Hi wil die zorge gaarne nemen an.

Een boom was hoog gewassen in korten tijd,
Dien vond ik uter aarden gebrengen niet.

Dat hinder van den bome merkte hi waal,
Hi toog m uter aarden altemaal.

Nu moet ik hem wezen onderdaan,
Oft hi en wil dat gaarden niet bestaan.

Mijn hoofken moet ik wiên tot alre tijd,
Nochtans en kan ik s klaar gehouden niet.

Hierin zo moet ik zaaien leliënzaad,
Dit moet ik vroeg beginnen in der dageraad.

Als hi daarop laat dauwen, die minre mijn,
Zo zal dit zaaiken schier bekleven zijn.

Die leliën ziet hi gaarne, die minre mijn,
Als zi te rechte bloeien ende zuver zijn.

Als die rode rozen daaronder staan,
Zo laat hij zinen zoete dauw daarover gaan.

Als hi daarop laat schinen der zonnen schijn,
Zo verbliden alle die krachten der zielen mijn.

Jezus is zijn name, die minre mijn!
Ik wil hem eeuwelijk dienen en zijn eigen zijn.

Zijn min heeft mi gegeven zo hogen moed,
Dat ik niet meer en achte dit aardse goed.


Zuster Bertken
(1427-1514)


hoofken = tuintje
gaarden = tuinieren
boom = symbool voor zonde
bestaan = blijven doen
leliënzaad = symbool voor reinheid
bekleven zijn = wortel gevormd hebben
minre = minnaar
rode rozen = symbool van de minne
min = de minne, de liefde tot God


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster