Albert Besnard

Door 't spanloos ruim der lichte zonnesferen

Door 't spanloos ruim der lichte zonnesferen,
Vaart als een huivering de gang der aard,
De schim der doode ster die ronde waart
Gehuld in schimmels die haar huid verteren.

Als doodsklam zweet draagt zij haar kille meren
En aan de schaduwzij der schuwe vaart
Het licht der stede' als wouden die ontaard
en rottend in den nacht phosphoresceeren.

Het booglicht lokt en in zijn breede banen
Schoolt 't broed te saêm, dat bij het feest der stad
Het Al in deze spanne lichts kon wanen,

Waar 't straatdecor zijn eenzaamheid omvat.
Hier tiert een zieke geest na 't wereldtanen
En vreet aan 't gulle lijk der ster zich zat.


Bron: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde - vierde deel / Frans Bastiaanse. - [S.l.] : Nederlandsche Bibliotheek, 1927
Bundel: Opstand en wroeging
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster