Albert Besnard

De stad I

Mijn God om heel dit wonderlijk gebeuren:
't Mystieke groen dat aan den grond ontsproot
Met bloemen gloeiend in fluweelen kleuren;
Ook om de mildheid van het avondrood

Waarbij in koor de lichten argloos treuren;
En om de bloesems die in donzen schoot
De vrucht ontvangen bij den lust der geuren; -
Zie naar het dolend volk in barren nood.

Want in het gele licht der grauwe steden,
Op kille zerken van 't plaveisel gaat,
Met ruige weefsels om zijn kale leden

En donkere oogen in een bleek gelaat,
De brooze mensch en zegt U geene bede:
De mensch heeft zijn ellende en heeft zijn straat.


Bron: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde - vierde deel / Frans Bastiaanse. - [S.l.] : Nederlandsche Bibliotheek, 1927
Bundel: Opstand en wroeging
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster