Albert Besnard

Toen steeg uw ziel tot aan uw weerlooze oogen

Toen steeg uw ziel tot aan uw weerlooze oogen,
Uw hoofd zocht schuchter toevlucht aan mijn borst,
En al uw weemoed en mijn vreugde wogen
Mij zwaar in 't hart dat reeds zijn wereld torst.
De Maartsche nacht was mild van mededoogen
Voor wat in 't naakte bosch reeds bloeien dorst;
De lentewind had ook mijn ziel bewogen
Wij kenden 't zeer van al wat open borst.
De weg was eenzaam dien ik kwam getogen
Al ging ik immer door de drukke straat.
Begrijpt gij hoe mijn looze schreden wogen
En 't leed waarmeê het hart te zwerven gaat?
Te moede vraag ik of gij wilt gedoogen
Dat heel mijn wereld bij u rusten gaat.


Bron: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde - vierde deel / Frans Bastiaanse. - [S.l.] : Nederlandsche Bibliotheek, 1927
Bundel: De bloei en andere gedichten, 1923
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster