Anna Bijns

Refereyn

O doot, door u memorie ic vereyse;
Weer ic voorwaert ga oft achterwaert deyse,
Ic en mach u niet ontvlien, dit doet mij beven,
Ic moet wech, ic en weet waer leyt de reyse,
Weer ter hellen oft ten hemelschen paleyse;
Maer tis seker, al dat ontfaen heeft leven,
Moet sterven, tvonnis is soo ghegeven
Hier tegen en is ooc geen appellatie.
Mijn dagen zijn getelt, mijn jaren zijn geschreven,
Alle uren werde ic ter doot ghedreven,
Ic en weet, hoe oft waer, tijt oft spatie;
Mijn sonden sijn vele sonder comparatie,
En sviants tentatie sal mij dan bevechten.
Dus mach ic arm sondaer wel roepen om gratie,
Ic werde gelevert den helschen knechten.
O bermhertige Jesu, dus roepe ic dij aen:
Heere, alst mij al afgaet, wilt mij dan bijstaen.

Al siecte mij quelt, niet om verstrangen,
Als den neuse scherpt en de blosende wangen
Verbleecken, de lipkens bestaen te blauwene,
Als men roept om biechte, alsment Cruys gaet langen,
Als diveersche pijnen mijn lichaem prangen,
En als den pols begint te flauwene,
Als treeusweet hem pijnt door tvel te dauwene,
Tvleesch na trotten walgelijc te stinckene,
Als de huyt eertachtich begint te nauwene,
Alsmen gaet kouten van graven, van sinckene,
En mijn vrienden om tgelt bestaen te dinckene,
Die meer mijn goet dan mijn leven begheeren,
Alsmen Gods lichaem mij brengt met clinckene
En alsmen de leden gaet oliën en smeeren,
Als men mage geen spijste en can verteeren,
O Christe Jesu, wilt u ooghen op mij slaen;
Heere, alst mij al afgaet, wilt mij dan bijstaen.

Als memorie faelgeert, de crachten beswijcken,
En der doot voorboden openbaerlijcke blijcken,
Als mijn magen, die naer mijn goet sullen erven,
Mijns niet en achten, maer na plonderen kijcken,
Als de dootlijcke nopen ter herten waert strijcken
En de leden vaste allenskens sterven,
Als ic allen eertschen troost moet derven
En alleene moet comen voor Gods presentie
Rekeninghe doen en den kerf afkerven,
Wat ic misdaen hebbe, waer en hoe menich werven,
Ende als mijn arm beladen conscientie
Van cleynegebreken maect groote mentie,
Die ic gesont sijnde niet eens en achte,
Als ic Gods strange, rechtveerdige sententie
Van uren tot uren ligge en verwachte,
Als den dach voorbij is en het naect den nachte
En mij twijfelt, weer ick sal verdoemt zijn of vrij gaen,
Heere, alst mij al afgaet, wilt mij dan bijstaen.

Als lutter iemand meer met mij vermaect is,
Deene moede gedient, dander moede gewaect is,
En elc mijnder moeyten begint te verdrietene,
Als den mont bitter, therte dorstich, verspaect is,
Als darme siele, die van deuchden naect is,
Sorcht Gods rechtveerdicheyt te genietene,
Als dlichaem van vreesen bebint te verschietene,
En de tonghe niet meer en can ghespreken,
Alsmen daer wijwater bestaet te gietene
En tscheepken hem pijnt na sijn haven te vlietene,
Alsmen de gewijde keersse doet ontsteken,
Therte wilt bersten en dooghen breken,
Als daer geen hope is te ghenesene,
En mij sullen geëyscht werden jaren en weken,
Van dat ic begonste eerst iet te wesene,
Och alsmen dendelveers begint te lesene,
En de werelt sal seggen van mij tfij! saen,
Heere, als mij al afgaet, wilt mij dan bijstaen.

Prinche

Princelijc Prince, door u liefde heet,
Door u minnende herte, dat aent Cruyce spleet,
Door u open vijf wonden bloeyende root,
Staet mij bij inde uren, die ic niet en weet,
Ontfermt mijns dan door u bloedich sweet,
Dwelc ghij storte int hofken uut vrese der doot.
Als ic ligge en gape in duyterste noot,
En mij niet volghen en sal dan mijn wercken,
Zijt dan mijn leytsman, mijn Prince, mijn hoot,
Jont mij te nuttene dlevende broot,
Dwelc mij in mijn pelgrimagie magh stercken,
Geeft mij warachtich berou als kint der kercken,
Volcomen biechte, al mijn Sacramenten,
En wilt mij beschermen onder u vlercken,
Als mij bevechten de helsche serpenten.
U bitter doot wilt in mijn herte prenten,
Mijn sondige besmette siele meucht ghij dwaen.
Heere, alst mij al afgaet, wilt mij dan bijstaen.


Coster-pagina