Refereyn

Anna Bijns

Wie leeft so oudt nu onder de lien daer,
Die binnen zijnen leven oyt sach geschien claer
So veel wonders als wij sien op desen dach?
Wij swimmen int verdriet, men weets ontvlien waer,
Want waermen comt, men vint genoech van dien; maer
Hoe wel wij opten hals hebben den slach,
Wie betert hem? Niemant, elc doet zo hij plach.
Jae hoe ouder hoe quader, niet om verergen
Werdet volc; des elc hem wel vreezen mach
Voor noch meerder verdriet, want sonder verdrach
Wij Gode met onsen sonden tergen.
Ghinct gisteren qualijc, qualijcker salt mergen
Gaen, want God de Heere is op ons verstoort.
Waer selen wij ons voor zijnen toren bergen?
Hij roept ons tot beternisse, en niemant en hoort,
Maer gelijc de blinde gaen wij vast voort
Van deen sonde in dander, recht oft wij waren mal.
Wat meyndij, dat ons God dus doende gesparen sal?

Wat isser over vijfentwintich haer herwaerts
Ongeloofs gesaeyt! Het schikt hen wel derwaerts
Dat wij tgeloove heel sullen verlaten.
Die Christelijc wilt leven en weet hen werwaerts
Als nu te keeren, wantmen schier nerwaerts
Puerlijc God en soect, tzij in wat staten.
De Heere sent ons uut milder caritaten
Deen plage op dander om ons te treckene:
Diertijt, oorloge groot boven maten,
Sterften, hooge vloeyen, ten mach al niet baten;
Maer om Gods gramschap meer te verweckene
Pijnen de menschen haer boosheyt in te deckene
Metter evangelischer vrijheyt alleleens,
Oft zij met Gode waenden te geckene
En zijn oordeel te ontvliene; maer seker neens!
Pilatus en Herodes die zijne nu eens
Om Christum te cruysen; hoe salt noch varen al?
Wat meyndij, dat ons God dus doende gesparen sal?

Met sterken steenen, die wij wel calcken trouwen,
Maken wij blochuysen; wij doen balken houwen
Daer wij ons vesten mede doen bewercken.
Wij hebben ons, oft God verschalcken wouwen,
Wiens oogen claerder dan de valcken schouwen.
Met steenen van cloosters, afgebroken kercken,
Wanen wij ons steden te verstercken.
Wacht, dat wij ons ten ende niet en vinden bedrogen.
Die steden mochten verbidden in diversche percken;
Hier toe doen sommige haer vermogen.
Als God wilt plagen, is de wijsheyt vervlogen
Vanden geenen, die regeren steden en landen.
Metten aermen menschen heeftmen cleyn medogen;
De vrienden doen hem schade, gelijc de vainden.
Taalden sommigen int oordeel staen tot schanden,
Datmen daerme berooft heeft van haren stal.
Wat meyndij, dat ons God dus doende gesparen sal?

Het menschelijke geslachte is schier dommer, jaet,
Dan de beesten, want so lang so crommer gaet
Elckerlijc, recht oft wij God verachten.
Hij sent ons oorloge, diertijt, en commer quaet
Om ons te castijen; wij soecken ommer raet
Tegen Godt te steken met al onsen crachten.
Wij mommen, wij bommen, bij dage bij nachten,
Wij hoveren, boeleren, al waert al voor windt,
Wacht, dat wij Hierusalem niet en slachten,
Dat ons destructie niet en compt eer wijt wachten.
Als de roye opten eers is, screytet kindt,
Tgeloeft hem te beteren; wij zijn dwaser gesindt!
God slaet ons en wij en hebben geen gevoelen,
Maer werden soo langer zoo meer verblint.
Wanen wij aldus Gods gramschap vercoelen?
Wij muegen vast graven, slaven en woelen:
Beteren wil ons niet, ons naect so swaren val.
Wat meyndij, dat ons God dus doende gesparen sal?

Prinche
Prince, ons en mocht Franchoys, Turck en Soudaen letten,
De Heere soude ons vianden saen pletten,
Ghelijc hij Sennacheribs heir de vernielen;
Maer voorwaer wij moesten al anders aensetten:
Dbedde als Davidt met menigen traen netten,
Ons sonden bekennen, daer wij vol af crielen,
Die belijden in bitterheyt onser sielen,
Om die te latene een vast propoost maken.
God sou voor ons strijen, dat wij dit onthielen.
Maer, neen wij, voor den afgod Mammon wij knielen.
Tvier der oncuisheyt sietmen west en oost blaken,
Hooveerde des levens doet naden roort haken,
Van eertscher eeren in sonden verstijven wij.
Hoe sou ons Gods hulpe en zijnen troost naken?
Hoe hij ons vermaent, quaet zijn qij, quaet blijven wij,
Quaet dencken, quaet spreken, quaet bedrijven wij;
Dus blijft ons duecht van jaren tot jaren smal.
Wat meyndij, dat ons God dus doende gesparen sal?