De luchtstroom ruisch door t vier, dat uit zijne
asch geschoten,
In vlammen om zich grijp en Meroos God doorgloei;
Zijn hitte dring door t vocht, in t hol metaal
besloten,
En bruische in golven op met bonzend stormgeloei.
Daar wiegele in den plasch het scheppings-al van t kuiken,
Dat in zijn zilvren lucht een gouden aardbol sluit;
En t beuk de krijtaardschors dier breekbre
wareldkruiken,
En dove s levens aâm in t bobblend windvlies uit.
Zoo word de ommuurde zee ten bergklomp door t
verschroeien,
Waar t half gesmolten goud verbalsemd door blijft vloeien!
Gewijzigd: 19 juli 1997