t Gedicht
Uit plicht
Gelukt niet licht,
Maar hinkt aan ijzren boeien:
t Heeft vier,
Noch zwier,
Noch bloei noch tier,
En kruipt in plaats van vloeien.
Maar brandt
De hand,
Die t speeltuig spant,
Van t innig boezemgloeien;
Geen toon
Zoo schoon
By mensch en Goôn,
Dan die het hart ontvloeien.
Voor my,
Ik wij
Mijn poëzy
Geen dorre plichtbetooning:
Heur lied
Klinkt niet
Op vreemd gebied;
De Dichtluim kent geen Koning.
Doch kon
Een bron,
Die eens begon,
Steeds onuitputbaar springen,
Hoe blij
Zou zy
Op t Feestgetij
Van Eliane zingen!
Dan ach!
Ik mag
Dien blijden dag
Met geen gezang begroeten:
De smart,
Die t hart
Te fel benart,
Maakt Zang- en Speelkunst voeten.
Daar t leed
Zoo wreed
De borst doorsneed,
En tranen drongen uit de oogen,
Zou daar
t Bezwaar
De zangrige aâr
Niet tevens op doen droogen?
Den gloed
Van t bloed
In zilten vloed
Van staâg geween verdronken,
Is al
t Geschal
Van Feest of Bal
Niet weêr in staat te ontvonken.
Neen, zang
Waar dwang
En hartgeprang;
Doch waar voor zuivre wenschen
Ons heil
Slechts veil
In t hoogste peil,
Dan maakte u dit mijn hart de zaligste aller menschen.
Ingezonden: 13 september 1996 (Gewijzigd: 19 juli 1997)