Willem Bilderdyk (1756-1831)

Minerva

Minerve vond de veldfluit uit,
En speelde ’t eerste lied,
Aan d’oever van Permessus vliet
Gehukt in ’t jeugdig kruid.
De boschgon sluipen op den klank
Bedeesd en luistrend aan,
En laten kruik en druivendrank
Voor deze wellust staan.

Wat zong zy? Van den bergsneeuwleeuw
Dien Herkules verwon;
En hoe hy by een meisjen spon,
Hy, monsterschrik der eeuw!
Het spinrad snorde door haar’ zang,
En gonsde na in ’t oor;
En ’t kusgeklap p mand en wang
Klonk somtijds dwars daar door.

Nu ving zy van de wildbaan aan
En zong Dianes stoet.
Men hoorde ’t kraken van den voet
Door de afgeworpen blan.
De pijlen ramm’len door ’t gerucht;
De boogstreng krakt en drilt;
De schicht vliegt schuiflend door de lucht;
De bloedstroom ruischt om ’t wild.

Het mastbosch staat van rondom stom,
En wordt niet hoorens mo:
Het windtjen plooit zijn vlekjens toe,
En speelt met blad noch blom. —
Maar de Echo vangt een toontjen op,
En alles vliegt in roer:
Nu hupplen veld en heuveltop,
Met schaterend rumoer.

, wat klinkt die zangtoon schoon!
Zie daar den rechten trant!
Dit klatert over bosch en land!
Dit laatste spant de kroon!
Die werklank daar, van ha, ha, ha!
Die treft en hart en zin!
Minerva speelt bevallig, ja;
Maar de Echo doet niet min.”

Minerve, die een’ blos kreeg, zweeg,
Nam ’t fluitjen van den mond,
En wierp het lachende op den grond,
Terwyl zy de ooglen neeg.
Zy zet den voet op ’t piepend riet,
En trapt den halm in twen:
„Zing, Echo, zing uw eigen lied!”
En ijlings vloog zy heen.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 13 september 1996 (Gewijzigd: 19 juli 1997)