Ik heb ze zien bloeien
By t uchtendontgoeien;
Nu hangen de bladen en storten in t stof,
Tot speeltuig der stormen,
Tot aas van de wormen,
Tot schaamte van dop haar zoo pralende Hof.
Toen zogen haar knopjens
De lavende dropjens,
Tot parels geronnen uit hemelschen daauw:
Nu missen zy kleuren,
En spreiden geen geuren,
Eer de avond de velden nog wikkelt in t graauw.
Zoo zag ik geslachten,
Zoo schoonheid en krachten
Ontluiken en bloeien, maar luttel bestaan:
Zoo lach en verblijden
In jammer en lijden
Voor t schemerend Westen des levens vergaan.
Zoo t zingen en springen
Voor t handenverwringen
Verwisseld, in in dan een vluchtigen wenk.
t Zijn alles slechts bloemen
Waarop wy hier roemen;
t Is alles een daauwdrop, een morgengeschenk.
De luister der oogen
Met nevels betogen,
Ja, zenuw- en voeding- en spierkracht verkwijnt.
Ook oordeel en reden
Bezwijkt met de leden,
En t leven verwaassemt, vervliegt, en verdwijnt.
Ingezonden: 13 september 1996 (Gewijzigd: 19 juli 1997)