t Gegier der wervelwinden
Die eik en ceder knakken
Rukt broedelijke takken,
Rukt teêre hartevrinden
In t stormgewoel van een.
Wy moesten t ondervinden,
Wy, eens zoo eensgezinden!
Wy, eens zoo lotgemeen!
Elkaâr van t hart gereten,
In t barnen van de vloeden;
In Landverdelgend woeden;
En wijd en één gesmeten
Op s waereld Oceaan;
Wat wierd de Vriendschapsketen
By Staats- en Oorlogsveten?
Gewis! zy moest vergaan.
Zou zy in woeste vlagen,
Die de allerhechtste banden,
De aandoenlijkste aller panden,
By broeders, echtknoop, magen,
Verwaaien deên als kaf;
Zou zy die felle slagen,
Die wreede schokken, dragen,
En breken nimmer af?
Zoo spreke de onbekende
Met innig hartgevoelen!
Wiens vriendschap (zelfbedoelen!)
Zich naar den weêrhaan wnde
Van t onbestendig Lot!
Zoo, s aardrijks stofklompbende,
Laaghartig in ellende,
En dartel in genot!
Neen. Krimpen, kruipen, beven
Verachtbre, lage wormen!
Door s Noodlots dolle stormen
Langs golf en zand gedreven,
Maar ziel noch hart verwrikt;
Was t beurtlings ons gegeven,
Als balling om te zweven,
Maar kalm en onverschrikt.
Vereend door t Kunstbeminnen;
Door de echte Dichtrenader;
Door deerbied voor een Vader,
Den Vriend der Zanggodinnen,
En Leidsman naar heur Choor;
Kon niets den gloed verwinnen;
Die onzer beider zinnen
Gelijkelijk doorgloor.
Ik strooi hier geen bloemen,
Ik stort u hier geen zangen,
Voor weldaân, ruim ontfangen,
Die t Nageslacht zal roemen,
Indien het me ooit herdenkt:
Maar my uw Vriend te noemen,
Dit kan geen kieschheid doemen,
Wie dankbetooning krenkt.
Wat dan, wat ooit kan breken,
ô Houden deze banden,
Die wat hen aan mocht randen,
Voor tijd noch lot bezweken,
Ons eeuwig vastgeboeid!
En laat dit Vrienschapsteeken
Van t heilig Dichtvuur spreken,
Dat harten samengloeit!
Ingezonden: 13 september 1996 (Gewijzigd: 19 juli 1997)