Zoo de wijsheid
Aan de grijsheid
Waar verknocht,
En de ervaring
Zielsopklaring
Schenken mocht;
k Zou de dagen
Niet beklagen
Vol van pijn,
Die me een leven
Heeft gegeven,
Dat me moest tot leerschool zijn.
Maar, ô Hemel!
In t gewemel
En gewoel
Rondgedreven
Door een leven
Zonder doel;
Prooi der stormen;
Aas der wormen;
Asch en stof;
Heb ik t leven
Weg zien zweven
Als een boomblad in den hof.
Wat s den blinden
t Ondervinden
Van t licht.
Zoo t zijn stralen
Op hen richt?
t Geeft hunn oogen
Geen vermogen
Om te zien;
t Zijn de handen
Aan de wanden,
Die hun bystand moet biên.
Op U hopend
Die ons opent,
Bleef t gezicht
In dit duister
Naar Uw luister
Heengricht;
Maar -- wat zag ik?
Wat vermag ik?
t Graf ten buit!
Blind geboren,
Is t verloren,
Zoo Gy t oog my niet ontsluit.
Immer droever,
Thands op doever
Van het graf,
Onder t breken
Van den weeken
Wandelstaf,
Strek ik de armen
Onder t kermen
t Uwaart heen!
Zij me in t donker
Slechts één flonker
Van uw heilzons afgebeên!
Ingezonden: 14 september 1996 (Gewijzigd: 19 juli 1997)