De oude en getrouwe Fijlax, die zijn
meester verloren had, werd door een boer uit de buurt in
zijn huis genomen. Hy nam s morgens zijn stuk roggenbrood
en ging voorts op de jacht, levende van t geen hy
opspoorde. « Hoe minder ik mijnweldoener kost, hoe beter
» zei hy. Maar Fijlax werd oud, verloor tanden en
krachten, en niemand bracht hem meer dan het oude stuk
roggenbrood. In dezen staat lei hy aan de deur te verhongeren. «
Ellendige als gy zijt (riep de klein Joli hem toe), hadt ge u
begeven tot kwispelstaarten onder de tafel, gy zoudt nu genoeg
hebbe. Zie naar my die nooit iets gewerkt heb, wat een buik is de
mijne! »
« Maar waarom toch voedt men u zoo overdadig? »
vroeg Fijlax. Het andwoord was: « om dat ik kan bedelen. »
« Welnu dan (hernam de oude» ik kan hongeren. »
Ingezonden: 3 oktober 1997