Een akker had de zee ten Westen, en stond ieder
oogenblik bloot voor hare onverstroomingen. Zijn Eigenaar lei er
een Dijk voor, die het land voor de baren beschuttede, en
de akker had rust en zekerheid. Nu was hy op zijn tijd met
rijpende oogsten bedekt, en de Naburen benijdden hem. maar aan
den voet des Dijks wiessen grasbloemen in menigte: dezen
beklaagden zich, dat de hoogte des Dijks hun den vrijen toevloed
des Westenwinds onderschepte. « Hoe kunnen wy bloeien (zeiden
zy) ô wy dien haatlijken dijk kwijt waren, wy zouden het
gantsche veld met onze spruitjens bedekken, en geheel de akker
zou weldra een volkomen bloemhof worden. » Nu stormde
t uit het Noordwesten, en de hemelhooge golven sloegen over
den Dijk op den akker. « Zie daar (riep men) hoe nutloos de dijk
is! Hy is tegen de zeebaren aangelegd en bevrijdt er ons niet
van; en tevens ontneemt hy ons den verkwikkenden Westenwind,
waardoor wy leven en bloeien moeten. Weg met hem!»
De Eigenaar was niet van dit gevoelen, maar
verhoogde den dijk op zijn akker zekerder te stellen. Nu
was het een nieuw en nooitrustend geschreeuw. Niet de grasbloemen
alleen, maar ook t graan begon met haar te roepen: « Ja,
hy beneemt ons den Westenwind! ach, dat we van dien nutloozen,
dien haatlijken Dijk bevrijd waren!»
De Dijk ondertussen stond vast; maar wat gebeurt er?
Een hoop Mollen ondergraaft hem; het zeewater vindt een open en
dringt er door heen; hy bezwijkt eindelijk en stort in, en de
Oceaan streeft met lossen teugel door de opening. De akker is
overstelp, in een oogwenk, geplonderd, vernield, en voor altijd
bedorven, en grasbloem noch korenhalm erkennen de plaats meer
waar zy stonden. Een handvol vlotgras alleen, op de baren
dobberende, riep uit: « Hadden wy den Dyk slechts weêrom! »
Een voorbyvliegende Zwaluw zag en hoorde dit : « Sero
sapiunt Phyrges. » riep hy uit; want Lezer, het was een
bereisde vogel, die talen verstond.
Ingezonden: 3 oktober 1997