In een gering Boerndorp omstreeks Arcadie had de
schoone Lize een Diamant gevonden; een schoonen en
zuivren Diamant van het eerste water. Waarschijnlijk was hy van
den tulband eens Persischen Landvoogds gevallen, die daar
doorgereis was. Lize, van haar vond opgetoogen, maakt hem vast op
een eindtjen lint, en bindt het zich om den hals : en terstond is
het schoone blinkende ding de verwondering van het gigantische
Vennootschap. « Ach! die ook zulk een Diamant hadde! »
zie daar de algemeene en eenstemmige wensch aller Boerinnetjens.
Een Knaap, die verscheiden mijlen verr gereisd
had, kwam van zijn tocht weêr te rug, en bracht eenige
geslepen krystallen en glasbrokken meê, die hy omdeelde. Zy
flikkerden juist wel niet als Lizes diamant, maar echter zy
blonken en de Boerinnen hadden welhaast elk een steentjen (want
zoo noemde men het) aan den hals, en elk van haar achtte zich zoo
rijk als Lize was. Gelukkige eenvoud!
Maar de Diamant van Lize was door het gerucht buiten
het dorp bekend geworden. Een Vreemdling kwam om hem te zien. «
Wat vraagt ge naar een diamant (zei men), wy hebben
diamanten in menigte. Beschouw slechts! » De Vreemdeling
lachte en keerde te rug zonder verdere moeite te nemen. « Wat
zou er toch zijn in een plaats, waar men glas en krystal voor
edelgesteente neemt! » zei hy.
Men begon van de Nederlandsche letteren in Frankrijk
en Duitschland te spreken. Feiths Julia werd vertaald, en niemand
had lust om er meer van te weten.
Ingezonden: 3 oktober 1997