Willem Bilderdyk (1756-1831)

IV. De Diamant bij de Boeren.

   In een gering Boerndorp omstreeks Arcadie had de schoone Lize een’ Diamant gevonden; een’ schoonen en zuivren Diamant van het eerste water. Waarschijnlijk was hy van den tulband eens Persischen Landvoogds gevallen, die daar doorgereis was. Lize, van haar vond opgetoogen, maakt hem vast op een eindtjen lint, en bindt het zich om den hals : en terstond is het schoone blinkende ding de verwondering van het gigantische Vennootschap. Ach! die ook zulk een’ Diamant hadde! zie daar de algemeene en eenstemmige wensch aller Boerinnetjens.
   Een Knaap, die verscheiden mijlen verr’ gereisd had, kwam van zijn’ tocht wer te rug, en bracht eenige geslepen krystallen en glasbrokken me, die hy omdeelde. Zy flikkerden juist wel niet als Lizes diamant, maar echter zy blonken en de Boerinnen hadden welhaast elk een steentjen (want zoo noemde men het) aan den hals, en elk van haar achtte zich zoo rijk als Lize was. Gelukkige eenvoud!
   Maar de Diamant van Lize was door het gerucht buiten het dorp bekend geworden. Een Vreemdling kwam om hem te zien. Wat vraagt ge naar een’ diamant (zei men), wy hebben diamanten in menigte. Beschouw slechts! — De Vreemdeling lachte en keerde te rug zonder verdere moeite te nemen. Wat zou er toch zijn in een plaats, waar men glas en krystal voor edelgesteente neemt! zei hy.
   Men begon van de Nederlandsche letteren in Frankrijk en Duitschland te spreken. Feiths Julia werd vertaald, en niemand had lust om er meer van te weten.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997