De oude en trouwe Lycisca was gestorven, en
Dameet had by zijne Schaapkooi een Wachthond noodig. Om een
zekere keus te doen, besloot hy de getuigenissen te raadplegen.
« ô Neem den grimmigen Lycus niet, (schreeuwden de
Wolven)! dat s een doorslechte hond. Immer ontrust hy de
gantsche streek met zijn hol geblaf. Hy verstoort ieders
nachtrust, en bijt steeds naar al wat hem nadert, of slechts
onder de reuk der schapen koomt. Geen nacht, dat zijn kudde den
slaap geniet! ook is hy alomme gehaat en met den nek aangezien.
En dan, zijne eerlijkheid! » «Ik heb hem gisteren
nog den muil vol bloed gezien (riep een die zijn tanden met
moeite ontsnapt was) : gewis by steelt heimelijk. » « Ik
zag hem zelfs met een lam, half doodgebeten, de hei oversnellen,
het deerde my (riep een ander, wien dat lam door den trouwen
wachter uit de kaken ontscheurd was)! Neen, gewis, Lycus is niet
eerlijk! »
« Maar de stille Procyon dan ? » « ô Dat
s een goed, vriendelijk beest, dat nooit blaft en nooit
bijt, en met niemand geschil heeft. Neem Procyon, Herder, dat
s een parel der honden! »
De grijze Melibee, die dit hoorde, sloeg Dameet op
den schouder. «« Geen slechter teeken voor Herder of Hond (zei
hy) dan wanneer de Wolven ze prijzen. »»
Conf. Jus Canon. Dist. 83. c. G.
Ingezonden: 3 oktober 1997