Willem Bilderdyk (1756-1831)

X. De getuigenis van een’ Herdershond.

   De oude en trouwe Lycisca was gestorven, en Dameet had by zijne Schaapkooi een’ Wachthond noodig. Om een zekere keus te doen, besloot hy de getuigenissen te raadplegen. — Neem den grimmigen Lycus niet, (schreeuwden de Wolven)! dat ’s een doorslechte hond. Immer ontrust hy de gantsche streek met zijn hol geblaf. Hy verstoort ieders nachtrust, en bijt steeds naar al wat hem nadert, of slechts onder de reuk der schapen koomt. Geen nacht, dat zijn kudde den slaap geniet! ook is hy alomme gehaat en met den nek aangezien. — En dan, zijne eerlijkheid! — Ik heb hem gisteren nog den muil vol bloed gezien (riep een die zijn tanden met moeite ontsnapt was) : gewis by steelt heimelijk. — Ik zag hem zelfs met een lam, half doodgebeten, de hei oversnellen, het deerde my (riep een ander, wien dat lam door den trouwen wachter uit de kaken ontscheurd was)! Neen, gewis, Lycus is niet eerlijk!
    Maar de stille Procyon dan ? — Dat ’s een goed, vriendelijk beest, dat nooit blaft en nooit bijt, en met niemand geschil heeft. Neem Procyon, Herder, dat ’s een parel der honden!
   De grijze Melibee, die dit hoorde, sloeg Dameet op den schouder. Geen slechter teeken voor Herder of Hond (zei hy) dan wanneer de Wolven ze prijzen.

      Conf. Jus Canon. Dist. 83. c. G.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997