Willem Bilderdyk (1756-1831)

VI. De jonge Hond.

   De Wolf leefde in overvloed in een veroverde schapenstal, omringd van een hoop doodgebeten lammeren. Een jonge Hond, die met zijn gezin door een Tijger verdreven was, kwam tot hem Help my mijn goed herwinnen, (zei hy), en ik zal u het uwe helpen beschermen. — Gy belooft my zeer weinig (andwoordde de Wolf), want wat is het mijne van ’t geen ik bezit? maar ga heen, volg mijn voorbeeld, en heeft men u ’t uwe genomen, val gy op de zwakkeren aan en vertroost u. — Wat deed de Hond, vraagt men my? Hy rukte een paar zuiglammeren die verstrooit door de hei liepen, van hunne moeder. — Dit kan niet zijn, zegt ge my, Lezers! maar — de Hond had een Wolvin tot moeder gehad, en dus wordt de zaak begrijpbaar.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997