Willem Bilderdyk (1756-1831)

VIII. Het Paard en de Stalknecht.

    Het is blijkbaar (zei het Paard) dat de Stalknecht om my bestaat: — er waren eer paarden dan Stalknechts. — Hy voedt my, hy reinigt my, hy veegt mijne mist weg, houdt mijn woning zuiver en lucht ze. Hy leidt my ter wei, haalt my weder te rug eer de koude Nachtlucht valt, doet my wandelen, en wat al meer tot mijn gezondheid en welzijn dienen mag. Maar ik heb daar voor geen verplichting aan hem (want hy is er voor); maar hy heeft verplichting aan my, dewijl hy zonder my geen Stalknecht zou zijn. Het is dus wel zot, dat ik hem drage, wanneer hy my afrijden of versch voeder met my halen wil, dat ik de spoorslagen van hem dulde, en my toomen en teugelen laat, even of ik voor zijn dienst geboren waar. Dit verveelt my. — Op die woorden kwam de Stalknecht om ’t Paard te zadelen; en dit, om zijn Filosofie in praktijk te brengen, gaf hem met de achterhoeven een’ slag op de borst, dat hem het bloed uit de keel vloog, en hy dadelijk dood nederviel. Zie (zei het Paard) zoo behoort het: ik wist mijne eigen krachten niet. — Nuu werd het noch gevoederd noch geroskamd. Het kreeg honger; het verliet den stal, en werd van de Wolven gevreten, die er lang op geloerd hadden. Ach (riep hy toen) had ik my den Stalknecht blijven onderwerpen! —
   De heer van den Stal, die ter jacht was geweest, kwam juist op het mat als dit voorviel. Zijn jager lei aan op de Wolven : Laat af (zei de Heer)! het is dat ondankbare beest, dat mijn’ trouwen Stalknecht heeft doodgeslagen, het verdient niet beter.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997