« Hy maakt ons wat wijs, de Adelaar, als hy zegt
boven de wolken te zweven. Ik weet ook iets van vliegen, en wat
hoogte men met de kracht van een vogel bereiken kan.
En wie heeft hem nooit in die hooge streek van den hemel gezien?
Immers zou hy zijn veêren aan de zon moeten branden, indien hy
heur hitte zoo na kwam! Met één woord, het is een bloot
voorgeven, en oude wijvenklap, dat zeg ik u allen, en daar blijf
ik by. »
Dus was, in een samenkomst van gevolgelte, het
gesprek dat een Zwaluw hield. « Ik heb altijd zoo gedacht
(zei de Kraanvogel), de zaak is onmogelijk. Ik kan toch ook
vliegen, en niemand zal my dit betwisten. » De Reiger, de
Ooievaar, de Sperwer, voegden zich hierby, en een zwerm van klein
Gevogelte bevestigde het besluit : « De Adelaar stijgt niet
boven de wolken. »
Zoo geneigd is men, eene onbekende macht palen te
stellen naar de maat van zijne eigen kracht en bekrompen begrip!
De Maikever kwam eindlijk : « t Is een dwaasheid (zei hy
ruiterlijk), van een hooger vlucht dan drie vademen te gewagen.
Alle hooger vlucht is niet dan eene onmooglijkheid en een spel
van verbeelding of bedriegery. »
Ingezonden: 3 oktober 1997