Willem Bilderdyk (1756-1831)

XII. De Vogelen.

    Hy maakt ons wat wijs, de Adelaar, als hy zegt boven de wolken te zweven. Ik weet ook iets van vliegen, en wat hoogte men met de kracht van een’ vogel bereiken kan. — En wie heeft hem nooit in die hooge streek van den hemel gezien? Immers zou hy zijn veren aan de zon moeten branden, indien hy heur hitte zoo na kwam! Met n woord, het is een bloot voorgeven, en oude wijvenklap, dat zeg ik u allen, en daar blijf ik by.
   Dus was, in een samenkomst van gevolgelte, het gesprek dat een Zwaluw hield. — Ik heb altijd zoo gedacht (zei de Kraanvogel), de zaak is onmogelijk. Ik kan toch ook vliegen, en niemand zal my dit betwisten. — De Reiger, de Ooievaar, de Sperwer, voegden zich hierby, en een zwerm van klein Gevogelte bevestigde het besluit : De Adelaar stijgt niet boven de wolken.
   Zoo geneigd is men, eene onbekende macht palen te stellen naar de maat van zijne eigen kracht en bekrompen begrip! De Maikever kwam eindlijk : ’t Is een dwaasheid (zei hy ruiterlijk), van een hooger vlucht dan drie vademen te gewagen. Alle hooger vlucht is niet dan eene onmooglijkheid en een spel van verbeelding of bedriegery.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997